De vaste lezer van dit blog weet inmiddels dat ik een voorliefde heb voor spookverhalen, omdat ze ten diepste psychologisch zijn. Vandaag heb ik Charles Dickens’ The Signal-man (1866) er weer eens bij gepakt.
Het is een prachtig verhaal dat bij mijn weten nooit in het Nederlands is vertaald (er werd wel een hoorspel van gemaakt). De BBC maakte er in de jaren ’70 een bijzonder sfeervolle TV-uitzending van voor hun serie A Ghost Story for Christmas.
Dickens zet meteen een uiterst onheilspellende toon met zijn krachtige openingszin: “Halloa! Below there!”
Een anonieme verteller ontmoet een seinwachter die bij een afgelegen spoorwegtunnel leeft en werkt — een man die lijkt te leven in een staat van constante spanning, gevangen tussen wat hij kan verklaren en wat hem te boven gaat.
Tijdens hun gesprekken vertrouwt de seinwachter de verteller toe dat hij wordt gekweld door een geestverschijning: telkens wanneer deze schim hem roept — “Halloa! Below there!” — volgt er kort daarna een ramp op de spoorlijn.
De seinwachter verwart de uit vlees en bloed bestaande reiziger, die hem toevallig op dezelfde manier begroette, met de kosmische aanwezigheid die zijn eigen verwarring in stand houdt.
The Signal-Man draait om deze spanning: de confrontatie tussen het rationele en het onverklaarbare, tussen de industriële vooruitgang en menselijke intuïtie, en vooral om de angst voor het zelf.
Wanneer Dickens de seinwachter laat staren in de donkere mond van de tunnel — “a deep trench, cutting down into the earth” — lijkt hij niet alleen het spoor te beschrijven: het is een blik in het onderbewuste van de moderne geest.
Dickens schreef het verhaal in een tijd waarin spoorwegen symbool stonden voor vooruitgang, maar ook voor verlies van controle: mensen vertrouwden hun leven toe aan machines, aan onzichtbare krachten die razendsnel en dodelijk konden zijn.
De seinwachter staat precies op dat spanningspunt: hij bewaakt het spoor, maar begrijpt de rampen die zich voltrekken niet meer — en wordt uiteindelijk zelf slachtoffer.
In wezen is The Signal-Man een spookverhaal over de menselijke behoefte aan betekenis in een wereld die steeds meer door systemen wordt bestuurd — en over hoe dun de grens is tussen helder waarnemen en doordraaien.
In Prehistory: The Making of the Human Mind (2007) analyseert archeoloog Colin Renfrew een eerdere overgang: de neolithische revolutie. Dat is de periode waarin mensen stopten met jagen en verzamelen en zich vestigden als boeren.
Volgens Renfrew was dit een fundamentele breuk in het menselijke bewustzijn en de manier waarop we betekenis gaven aan de wereld. Deze verandering leidde tot nieuwe vormen van eigendom en sociale ongelijkheid, een grotere afhankelijkheid van technologie en productie, en een verschuiving van een rituele, collectieve beleving van de wereld naar een meer gestructureerde en hiërarchische orde.
Renfrew benadrukt dat de moderne geest niet los kan worden gezien van deze lange ontwikkeling, waarin menselijke geest en materiële wereld voortdurend op elkaar inwerken.
Mijn lezer denkt nu misschien: “Waarom springt ze ineens van een Victoriaans spookverhaal naar Neolithische Revolutie?” Het mooie is dat Dickens en Renfrew dezelfde zenuw raken: wat gebeurt er met het menselijk bewustzijn wanneer techniek en materie onze verhouding tot de wereld vormen en tegelijk beperken?
Renfrew schrijft dat de menselijke geest is ontstaan in wisselwerking met de dingen die hij maakte — werktuigen, muren, rituelen. De materie vormde ons denken evenzeer als wij haar.
Dickens keert dat proces om in The Signal-Man: de techniek is niet langer een verlengstuk van de geest, maar een spiegel die haar terugwerpt in het donker. De seinwachter leeft letterlijk in de machinekamer van de vooruitgang, gevangen tussen ijzer en mist.
Waar de paleolithische mens zijn bewustzijn uitbreidde via symbolen en rituelen, en zo betekenis gaf aan de wondere wereld die hem omringde, wordt de moderne mens door zijn eigen uitvindingen teruggedrongen tot een starre functionaris van de werkelijkheid, zoals de seinwachter worstelt met een wereld waarin betekenis door de snelheid van techniek is verstoord.
De tunnel waarin hij werkt, is geen grot van verbeelding, maar een kille, negatieve afdruk ervan: een plek waar het symbool zijn kracht heeft verloren en echo’s van vroegere betekenis nog slechts fluisteren.
De roep die de seinwachter van Dickens hoort — “Halloa! Below there!” — klinkt als de laatste echo van een paleolithisch oerbewustzijn, dat zich herinnert dat het niets meer of minder dan mens is.
En hopelijk horen wij, tussen de voortdenderende algoritmes en datastromen, nog steeds iets van die echo — niet als spookverschijning, maar als herinnering.
De stem van verwondering die zich niet laat verdringen door techniek.