Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Vleermuis in tha house

“Zo, Yvette, breng jij tegenwoordig je statiegeldflesjes mee?” vraagt een collega afgelopen vrijdag zodra ik de bioscoop waar ik werk binnenloop.

Ik kijk naar de tas in mijn hand en moet lachen. Inderdaad, vol met lege flesjes. Die had in de auto moeten blijven liggen van degene die mij had afgezet, maar ik was niet helemaal helder en dus nam ik ze per ongeluk mee naar mijn werk.

Enkele uren daarvoor had ik thuis een ‘hartaanval’ gehad.
Oorzaak: een grote, gitzwarte spin die zich onbeschaamd aftekende tegen mijn hagelwitte muur.

En dat op vrijdag 31 oktober — Halloween, hoe toepasselijk.

Het duurde een half uur voordat ik genoeg moed had verzameld, en mijn trillende armen min of meer onder controle had. Maar de trots toen ik de spin eindelijk in mijn levensreddende spinnenvanger gevangen had, was ongekend.

Levensreddend, voor ons allebei. Ik heb het monster-uit-de-hel namelijk zo’n honderd meter verderop, waar de asfaltweg voor mijn huis overgaat in een van die typisch Limburgse holle wegen, vrijgelaten — met gevaar voor eigen leven uiteraard.

“Er hangen toch niet weer van die vreselijke nepspinnen in de foyer, hè?” vraag ik voorzichtig aan de collega die mij betrapt had met de statiegeldflesjes.
“Nee, maar ik zou de bar vermijden als ik jou was!”

Arachnofobie is een vreemde aandoening. Kleinere exemplaren zuig ik meestal met enige schaamte op. Een ongediertebestrijder vertelde me ooit dat dat prima kan:
“Laat de stofzuiger nog een paar minuten aanstaan.”

Daar voegde hij aan toe:
“Mensen onderschatten de kracht van een stofzuigmotor. Vooral mannen hebben daar een handje van.”

Op de achtergrond klonk een bulderend mannengelach — sindsdien kijk ik héél anders naar een stofzuiger. En blijft de vraag knagen: waaróm?

Ja oké, maar tóch

“Ik heb een terugkerende nachtmerrie waarin ik in een zaal zit en precies boven mij een spin naar beneden komt zeilen”, vertel ik later die vrijdagmiddag aan een andere collega.
“Ik heb ooit een dode vleermuis gevonden in zaal 1”, antwoordt hij droog.

Over vreemde vondsten gesproken. Wat moet een vleermuis in een bioscoopzaal? En belangrijker nog: hoe komt zo’n beest daar binnen?

Ik moest terugdenken aan een zomer van een paar jaar geleden. Het was bloedheet, ik had mijn ramen afgeplakt met aluminiumfolie om zowel de ondraaglijke hitte als het veel te felle licht buiten te houden, toen — plots — een vleermuis paniekerig door mijn woonkamer vloog!

Pas jaren later begreep ik hoe hij was binnengekomen, door een kleine opening in het plafond — precies onder de zolder. Het arme dier moet ergens enorm van geschrokken zijn, want vleermuizen zijn schuw.

Terug naar afgelopen vrijdagavond 31 oktober: we hebben een Halloween-special draaien. Tussen de foyer van de bioscoop en het restaurant schiet er plots iets razendsnel door de lucht. Eerst denk ik aan een klein vogeltje, maar bij de tweede flits weet ik het zeker: een vleermuis.

“We hebben een vleermuis in tha house”, waarschuw ik de collega’s die mij af komen lossen. Ze lachen, denken dat ik een grapje maak. Tot ik hoog bovenin de nok van ons industriële gebouw een donkere vlek ontwaar die daar niet hoort.

“Die krijgen we nooit te pakken,” zegt mijn collega met grote ogen.
“Zet de ramen open”, stel ik voor. “Dan vliegt hij vanzelf de duisternis in.”
“Eigenlijk best een stunt”, zegt hij. “Een échte vleermuis tijdens onze Halloween-special!”

“Ja”, zeg ik. “Vandaag verzamel ik ze allemaal. Vanochtend een enorme zwarte spin, nu een vleermuis — ik wacht alleen nog op het spook!”