De Groene Amsterdammer van deze week lag nog onaangeroerd op tafel. Geen tijd gehad, en het is zo’n blad dat ik liever in alle rust op de bank lees. Dat lukt niet als je ondertussen stukjes zit te tikken. Maar nu heeft De Groene me tóch weer achter mijn computer gekregen: ik stuitte op een column getiteld ‘Cate Blanchett’.
De auteur, Maartje Wortel, bleek net als ik onlangs in het Londense theater te hebben gezeten voor een hedendaagse bewerking van Tsjechovs The Seagull, met Cate Blanchett als de gelauwerde actrice Irina Arkadina.
Wortel vertelt over het opvallend jonge publiek bij een toneelstuk dat stamt uit 1896, ‘van een Rus nog wel’.
Dat is de magnetische aantrekkingskracht van Blanchett, en ik begrijp goed waarom ze zo’n brede schare fans weet te bereiken: na Carol (2015), bijvoorbeeld, heeft ze een hele nieuwe generatie, voornamelijk vrouwelijke bewonderaars aan zich verbonden. (Alleen lijkt die groep soms te vergeten dat Cate Blanchett en Carol Aird niet dezelfde persoon zijn…)
Na de voorstelling ging Wortel naar de artiestenuitgang: ‘Gejoel, geklap, telefoons die de lucht in gingen.’ Ik zag precies hetzelfde, maar als 41-jarige doorgewinterde fan sinds Fellowship of the Ring (2001) voelde ik geen behoefte om mijn telefoon te pakken.
Wat me vooral opviel, was hoe ordelijk alles verliep en hoe plezierig het was om met wildvreemden uit verschillende hoeken van de wereld te praten — allemaal samengekomen om Blanchett te zien schitteren.
Een jonge vrouw liet me trots de foto’s zien die ze had genomen tijdens de curtain call. De taalinstelling van haar telefoon viel me op, dus ik vroeg waar ze vandaan kwam: “Russia. Russian Federation.”
Oké…
Haar blijdschap dat ze Blanchett eindelijk in het echt had gezien, stond in schrijnend contrast met haar ontgoocheling: “I hád to come to London”. Ze liet een veelzeggende stilte vallen, haar blik werd somber, en zei, met verdriet in haar stem: “I don’t think she’ll come to Moscow…”
Dat klonk als een schot van Tsjechov.
Blanchett kwam die avond na elf uur nog naar buiten om handtekeningen uit te delen. Het feit dat ze dat deed, na drie uur toneelspelen én een vlucht van de dag ervoor vanuit New York, waar ze promotieverplichtingen had voor een nieuwe film — vergrootte alleen maar mijn respect. Ze hád binnen kunnen blijven, maar ze gaf haar publiek toch nog iets extra’s.
Mijn programmaboekje is door haar gesigneerd, al weet ik niet precies hoe dat is gebeurd. Ik stond daar niet voor een handtekening of een foto (al ben ik nu blij met deze tastbare herinnering), maar om haar opnieuw een brief te geven. En dat is gelukt.
Toen ik haar de envelop aanreikte, keek ze me even onderzoekend aan, zichtbaar moe en met een lichte verwarring, alsof ze bij zichzelf dacht: “Dit is me eerder overkomen.” En ja, dat klopt: zelfde type envelop, zelfde lakzegel, dezelfde fan — als toen, in Rotterdam. Ze bedankte me opnieuw, zoals ze dat eerder dit jaar ook had gedaan.
Wortel merkt terecht op dat we niet voor The Seagull kwamen, maar voor de sterrencast— en vooral voor Blanchett. Je kunt niet anders dan diep medelijden met haar understudy hebben. De druk op Blanchett moet gigantisch zijn geweest.
Geen wonder dat ze na zo’n intensieve periode denkt: “Ik stop ermee.“
Ze mag dan een elf, de godin van de dood én Bob Dylan hebben gespeeld — uiteindelijk is ze ook gewoon mens.
En deze mensen géven echt zoveel. Hun werk kan je raken, inspireren, zelfs in beweging brengen. Zonder Blanchett als Arkadina was ik inderdaad niet naar Londen afgereisd. Ik wilde haar volledig zien opgaan in die rol— en dat deed ze. Tot diep in je ziel voel je dat.
Dus, kwam ik toch alleen maar voor Blanchett? Ja en nee.
Ik ken The Seagull al jaren; Arkadina’s uitspraak “I have no money. I am an actress, not a banker” is een favoriet. Blanchett maakt het nog mooier: ze gaat er heerlijk theatraal bij liggen en roept: “Fuck’s sake — I’m an actress, not a bank.”
Die éne zin, dát moment, is voor mij onvergetelijk. Ik hóór en voel het haar nog steeds zeggen. Dat is onbetaalbaar, ook al denkt mijn bankrekening daar anders over.