De vaste lezer van dit blog zal inmiddels weten dat ik geen persoon ben voor de zomermaanden.
Als mijn humeur niet bedorven wordt door de hitte, dan toch vooral door de hordes toeristen die de boel onveilig maken. En deze week wordt het helemaal een drama, want iemand had ooit het briljante idee om ieder jaar in augustus een Heuvellandvierdaagse te organiseren…
Wat begon als een klein evenement, is inmiddels uitgegroeid tot een enorm spektakel met een feesttent, vaten bier die in overvloed worden gedronken aan van die lange tafels vol met mensen – je weet wel, lekker op zijn Bierfests… – ‘artiesten’ die kénnelijk niet mogen ontbreken, en uiteraard het nodige vuurwerk.
Dit hele circus begint officieel aanstaande woensdagmiddag en duurt tot zondagavond. Gedurende vier dagen trekken er dagelijks duizenden mensen pal langs mijn appartement, en aangezien ik op slechts 500 meter van de start- en finishlocatie woon, begint de ellende al héél vroeg in de ochtend.
Voor de lezers die me niet kennen: ik ben absoluut geen ochtendmens, heb al helemaal een bloedhekel aan potjes-met-vet (ja, dat ‘zingen’ ze nog steeds) en kan al met al dus echt helemaal niets met dit soort ongein.
(Behalve dan dat het dit jaar niet alleen chagrijn, maar inmiddels ook blog-materiaal oplevert.)
“Ach Yvette, laat gaan, de mensen hebben plezier,” hoor ik al. Tja, kennelijk. Maar ik zie niet wat er leuk aan is om met z’n duizenden hutjemutje achter elkaar door het landschap te trekken. Als je als bewoner na die vier dagen weer voorzichtig naar buiten durft te stappen, schrik je je bovendien een ongeluk.
Laat ik het zo zeggen: een kudde olifanten maakt minder schade.
Maar goed, het is niet alleen tijdens de Heuvellandvierdaagse dat de omgeving geteisterd wordt door hordes toeristen, vooral afkomstig uit Nederland, België en Duitsland.
De Hollanders zijn het ergst. Vooral als ze uit Amsterdam komen en dat hardop laten weten, met het stemgeluid en volume van een Hyacinth Bucket – pardon, Bouquet.
Zo’n exemplaar stond vanmiddag voor me bij de kassa van de lokale supermarkt, compleet met een Richard-figuur erbij die zwijgend, maar plichtsgetrouw een overvol winkelmandje uit stond te laden. Iedere keer moest hij bukken, omdat het mandje gewoon veel te zwaar was om op te tillen.
‘Hyacinth’ had intussen mijn aanwezigheid opgemerkt (ik was met een brood en twee potjes Italiaanse kruiden achter hen aangesloten) en prompt keerde ze me nadrukkelijk haar rug toe. Het voordeel daarvan was dat het volume een andere richting opging, maar de ‘inhoud’ bleef hetzelfde.
Tegen de mensen voor haar: “Jullie zijn hier óók op vakantíííííééé?!?”
Ja, het bleken Belgen te zijn, uit Antwerpen.
“Ohhh jaááá, jóóóóhh? Góóóhhh zégggggg, wat toevallig, ik ben jáááren geleden eens in Antwerpen geweest, echt een léúúúke stad!”
Deze Belgen hadden een kar die zo volgeladen was dat het eindeloos had geduurd voordat ze alles op de band hadden liggen. Tot overmaat van ramp besloten ze vervolgens om éérst alles in te pakken voordat ze er überhaupt aan dachten om tot betalen over te gaan, waardoor zij iedereen nóg langer dan absoluut noodzakelijk op hén lieten wachten.
Ik bedoel: als je wilt weten waar egoïsme uit voortkomt, neem een kijkje in de supermarkt.
In de tussentijd had ‘Hyacinth’ kennelijk een andere campinggast gespot:
“HEEEEYYYYYY, HIIIIIIIIIIIII, JULLIE OOK HIER!?!?! JOHHH WAT LEUK ZEGGG! WIJ ETEN VANAVOND CHINEES!!!”
(Je zal maar naast zo’n ‘Hyacinth’ op de camping staan trouwens. Alhoewel… mensen met kinderen lijken me ook een ramp. Ik geloof niet dat ik erg geschikt ben voor een camping.)
Vervolgens ging ze in ene moeite door naar de nog altijd inpakkende Belgen: “Nee, niet ván de Chinees hoor, ben je gééék, wij maken dat gewóóón zélf.”
Het zou ook kunnen dat ze zich daartoe gedwongen voelde, aangezien er geen Chinees in de buurt zit.
Inmiddels duurde dit theater nogal en in die periode had ik niet alleen medelijden met mezelf gekregen, maar ook met ‘Richard’, die al die tijd in z’n eentje al die spullen op de band aan het leggen was, terwijl zijn vrouw de hele supermarkt bij elkaar aan het schreeuwen was.
Tegen de caissière: “Het zal wel drúúúk worden hè, er wordt gewandeld de komende dagen, hoorden we op de camping. Nou, ons niet gezien, nee zeg, ben je gééék joh, wááándelen! Wie verzíííínt zoiets??”
Hier won ze héél even een kleín beetje van mijn sympathie terug, al had ik de indruk dat haar kritiek vooral wandelen in het algemeen betrof, niet het wandelen met duizenden tegelijk.
“Nééé hoor, háhá, óns mooííí niet gezien, wij trekken lékker door naar bóóóven, naar Drenthe. Ja, wij hebben een cámper hé, dan ben je zo ingepakt en wéééggggg met de gggeit.”
Op dit punt mag de lezer zelf de enorme zucht van ellende, ergernis én opluchting die ik slaakte, erbij bedenken.
Goed, de supermarkt heb ik in ieder geval weer overleefd, althans voor vandaag. Nu de Heuvellandvierdaagse nog. Want zo’n stoet van duizenden mensen baant zich niet alleen een weg door het landschap, nee, die moeten ook allemaal, jawel, naar mijn supermarkt…