Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Het leven aanharken

De afgelopen dagen ontdekte ik dat vrijwilligers druk bezig zijn geweest om de wandelpaden voor de Heuvellandvierdaagse ‘begaanbaar’ te maken: “Er zijn wat brandnetels en doornstruiken, en je wilt natuurlijk niet dat de wandelaars zich daaraan bezeren,” aldus de uitleg.

Ja, stel je voor: je gaat wandelen en komt in aanraking met de natuur! Dat kan natuurlijk niet, nee. Die vreselijke struiken en planten moeten snel gesnoeid worden, en het gras netjes aangeharkt…

Het moet inmiddels wel zo’n dertig jaar geleden zijn, toen ik samen met mijn ouders op vakantie was in het Binntal, Zwitserland. We waren net begonnen aan een wandeling vanuit het dal, op weg naar een van de altijd zo aanlokkelijk uitziende bergtoppen, almachtig in het ochtendlicht, toen we de door ons uitgestippelde route kwijt raakten.

Het duurde even voordat we dit doorhadden, zelfs toen we ons als ontdekkingsreizigers in Donker Afrika een weg door gigantische bladeren probeerden te banen – er viel geen pad meer te bekennen. Uiteindelijk hadden we geen andere keuze dan rechtsomkeert te maken, ploeterend door Donker Zwitserland.

Toen we weer op iets wat op een pad leek kwamen, stonden we tot onze verbazing oog in oog met een man die het gras aan het aanharken was.

Laat dat even tot je doordringen: het gras aanharken, midden in de bergen!

De man vroeg ons hem exact te vertellen tot hoe hoog we waren gekomen, en zijn vraag maakte de absurditeit van de situatie nóg intrigerender.

De Zwitsers hebben diep in de bergen militaire bunkers gebouwd, als geheimen uit een andere tijd – wat me doet denken aan het dwergvolk uit de verhalen van Tolkien – en het zou goed kunnen dat wij, onwetend, op weg waren naar zo’n bunker.

Je komt tijdens een wandeltocht wel eens vaker vreemde figuren tegen. Ik herinner me bijvoorbeeld een wandeling van zo’n tien jaar geleden, bij de Saarschleife in het Saarland, waar de rivier een spectaculaire U-bocht maakt.

Het was een benauwd warme dag en we liepen al een behoorlijke tijd. Gelukkig bood het bos wat verkoeling, al moesten we tegelijkertijd een steile helling beklimmen.

Ondanks dat de Saarschleife een van de populairste plekken van het Saarland is, kwamen we in het gebied waar we ons op dat moment bevonden niemand tegen – waarschijnlijk waren we weer eens een beetje van de route afgeweken…

We klommen gestaag verder, totdat we ineens een figuur boven aan de helling zagen staan die ons op leek te wachten.

Hij stond tegen het licht in, een beetje verscholen tussen de bomen, maar het was onmiskenbaar niet zomaar een figuur; het was een man van indrukwekkend formaat.

Zijn imposante gestalte had iets angstaanjagend onmenselijks.

Maar wat ons vooral de stuipen op het lijf joeg, was de werkelijk gigantische bijl die hij stevig vastgeklemd in beide handen schuin omhoog voor zijn buik hield.

Tot dat moment hadden we onbezorgd met elkaar lopen praten, maar de man was zo’n onheilspellende verschijning dat we per direct ons mond hielden.

Dreigend op ons neerkijkende vroeg hij plots, in een stem veel zachter dan dat we mochten verwachten, of we Nederlanders waren, wat we bevestigden.

Voorzichtig liet hij de bijl langs zijn lichaam zakken, leunde er toen zwaar op, en begon zijn verhaal. Langzaam begon de magnitude van zijn fysieke en vooral mentale pijn op ons in te dalen.

Al met al had hij wel iets weg van Hagrid.

Hij was nog een jonge man geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog, soldaat in het Duitse leger. “Er was geen keuze”, legde hij uit. “Of je deed mee, of je werd gefusilleerd. Vluchten was geen optie, want je was Duitser, dus hoe dan ook fout.”

Zijn compagnie was naar het oosten gestuurd, waar de Duitsers niet bestand waren tegen de bittere kou. Hij werd gevangen genomen door de Russen en naar een strafkamp in Siberië gestuurd, waar hij jarenlang gevangen zat en zijn tenen verloor door bevriezing.

Tegen de tijd dat hij dit vertelde, stonden de tranen in zijn ogen.

‘Hagrid’ had een uur met ons gepraat, bijna alsof het een boetedoening was, een mondeling testament. Maar je vraagt je toch af: boetedoening voor wat? En waarvoor? De situatie is nooit zwart-wit, en achteraf is het makkelijk oordelen.

Wat dacht je van de sociale druk die jonge mannen het gevoel gaf dat ze wel mee moesten doen? Of het misplaatste, aangeprate, idee van heldendom?

Jonge Britten dachten tijdens de Eerste Wereldoorlog het avontuur tegemoet te gaan in de loopgraven van het continent. Misschien heeft het iets te maken met wat we onder ‘avontuur’ verstaan, maar iets zegt me dat zij daarbij niet de dood in gedachten hadden.

‘Hagrid’ overleefde Siberië, maar het was duidelijk dat hij met een ondraaglijk schuldgevoel leefde.

Hij zal inmiddels wel overleden zijn. Hopelijk heeft hij de rust gevonden die hij tijdens zijn leven nooit vond, daar verborgen in zijn kleine hutje in de donkere bossen van de Saarschleife, waar hij in isolement woonde, afgesloten van de buitenwereld, tot het moment dat wij – die Hollanders – zijn gebied binnendrongen.

Misschien ben ik een romanticus, maar is het vreemd om te veronderstellen dat de dood hem kort na ons afscheid is komen halen? Nadat wij hem bedankt hadden voor het delen van zijn verhaal en, diep onder de indruk, stilletjes onze weg vervolgden?

En nu, terwijl ik dit stukje schrijf, barst de chaos van de Heuvellandvierdaagse buiten los. De niet-te-missen felgele routebordjes zijn geplaatst – eentje hangt steevast voor mijn deur – en de duizenden deelnemers kunnen zich vanmiddag alvast aanmelden.

500 meter verderop zijn ze aan het genieten van drank, ‘muziek’ (Generation X, The Diamond Baritons…) en entertainment in de vorm van zogenaamde Drakenwezens en een vuurshow getiteld Luminosity.

Ze hoeven zich in ieder geval geen zorgen te maken over de kwaadwilligheid van doornenstruikjes langs het pad. Wandelen moet natuurlijk wel leuk, gezellig en vooral pijnloos blijven: geen obstakels op de levensweg…