Laatst zei een goede vriend tegen me: “Uit jouw blog-artikelen spreekt best wat frustratie over de maatschappij. Of is het opmerkzaamheid?”
“Soms is er zeker sprake van frustratie,” antwoordde ik, “maar meestal verwonder ik me over dingen die voor veel mensen kennelijk doodnormaal zijn.”
Terwijl we zo rustig zaten te praten in een café, werd ik me ineens onaangenaam bewust van de nieuwsgierige aard van mijn soortgenoten.
Het was niet druk, maar tóch gebeurde weer dat bekende fenomeen: mensen die koste wat het kost precies naast je willen zitten — zonder aanleiding. Denk aan een lege parkeerplaats, en toch parkeert er iemand pál naast je. Alsof ze het liefst ín je auto zouden gaan staan.
Zo ook hier: mensen posteren zich pontificaal naast ons tafeltje, alsof ze eigenlijk het liefst bij ons aan hadden willen schuiven.
Waarom toch dit eigenaardige kuddegedrag? Je ziet het overal terug. In de bioscoop: lege zaal, en tóch kiest iemand precies de stoelen naast je.
Een vriendin vertelde me eens hoe ze alleen naar een film ging. Ze had de zaal voor zichzelf, tot op het laatste moment iemand binnenkwam, naast haar ging zitten en zei: “Vind je het erg als ik naast je kom zitten?”
Natuurlijk begrijp ik dat sommigen het ongemakkelijk vinden om in een vrijwel lege zaal te zitten. Maar dan nog — één stoel ertussen moet toch kunnen?
En ik hoor de lezer denken: “Waarom zo negatief, Yvette?” Ik bén niet negatief. Ik observeer. Soms leidt dat tot verwondering, soms tot frustratie. In dit geval is het een combinatie van beide.
Gisteren nog, tijdens een Pinksterwandeling. Veel Hollanders in de streek, herkenbaar aan hun bijzonder luidruchtige taalgebruik. Ik bedoel: het is overduidelijk dat de Randstedeling in zijn natuurlijke habitat altijd zichzelf moet overstemmen…
Als voormalig Randstedeling, inmiddels al bijna twintig jaar woonachtig in Zuid-Limburg, vind ik dat ik daar best iets over mag zeggen. Vooral omdat er vanwege hen ronduit afzichtelijke huisjes in het landschap worden geplant en ze mijn supermarkt terroriseren.
Voelt de lezer zich aangesproken? Dan is de boodschap aangekomen.
Halverwege mijn wandeling zat ik even rustig op een bankje te genieten van het Limburgse landschap, toen ik overvallen werd door typisch Hollands geschreeuw zonder aanwijsbare aanleiding: “AH, KIJK DAMES! DIT HIER IS ONS BANKJE!” riep een man met een baby op zijn rug, terwijl hij zich met een vanzelfsprekendheid die me met stomheid sloeg naast me installeerde.
Twee vrouwen volgden gedwee. “DEZE KLEINE VENT HEEFT DRINGEND VOEDING NODIG”, riep de man, niet zozeer tegen de vrouwen, maar gericht aan mij.
Ik kreunde innerlijk van ergernis en omdat ik geen behoefte had aan het luid aangekondigde baby-tafereel, stond ik op en vertrok. Niet zonder hem een niet ál te vriendelijke blik toe te werpen — en dat is nog zacht uitgedrukt.
Even later kwam ik een verwilderde vrouw met hond tegen, die zich een weg over een door regen weggeslagen, behoorlijk overwoekerd pad-dat-geen-pad-mag-heten had weten te banen. “HOE KOM IK VANAF HIER BIJ DAT – HOE HEET ‘T? – RESORT MOOI BEMELEN???” riep ze me toe, terwijl ze pal voor me stond.
“U loopt nog zo’n honderd meter door tot aan de weg en slaat vervolgens rechtsaf. Daarvandaan komt u er vanzelf.”
Vanaf die weg, op dat punt slechts een meter of tien verderop, klonk de stem van een man: “WAAR BLIJF JE NOU???”
De vrouw: “IK LOOP NOG EFFENTJES EEN HONDERD METERTJES OF ZO; DAN ZIJN WE D’R HOOR!!!”
Randstedelingen lijken te denken dat Zuid-Limburg een soort middle of nowhere is.
——————————
Terwijl mijn goede vriend en ik het café verlieten, merkte ik op: “Die twee die pal naast ons kwamen zitten hadden geen enkele reden om dat te doen, behalve om ons af te luisteren.”
“Misschien zie je dat te negatief”, vond hij.
“Nou, het valt me op dat zulke mensen blijven zitten lang nadat hun drankjes op zijn, terwijl het café verder vrijwel leeg is.”
“Jij moet journalist worden.”
“Ik kijk wel uit! Iemand zei ooit dat ik een goede politicus zou zijn. Toen antwoordde ik: ‘Wil je me dood hebben?!’”
Nee, dat soort rollen zijn niets voor mij.
Maar ja — ik heb nu eenmaal een grondige hekel aan kuddegedrag. Misschien ben ik daarin dan toch nét iets te veel buitenstaander. En daar voel ik me prima bij.