Vanmorgen vroeg iemand me, naar aanleiding van mijn vorige stukje over vogels: ‘Vertel me eens over Tsjechovs The Seagull.’
Ik stond op het punt enthousiast te beginnen, maar toen ging zijn telefoon. Moment voorbij.
Mijn humeur werd er niet beter op toen ik het boekenkatern van de NRC opensloeg. Meestal knip ik er met liefde stukjes uit; inmiddels heb ik zoveel artikelen verzameld over boeken die ik nog wil lezen, dat ik daar zeker een tweede leven voor nodig zou hebben.
Met stijgende verbazing las ik het artikel: “Ken uw klassiekers — binnen een kwartier dankzij een app. Werkt dat?”
Het ging over de app Blinkist. Nog nooit van gehoord, maar ik las: “Blinkist is een populaire app die boeken in 15 minuten samenvat voor mensen die graag willen lezen, maar er geen tijd voor hebben.”
De samenvatting van Oorlog en Vrede, zo lees ik, duurt trouwens 17 minuten. En voor wie zelfs dát nog te lang is, biedt Blinkist een samenvatting-van-de-samenvatting, leesduur: minder dan een minuut.
Ik hoor Tolstoj kreunen in zijn graf.
Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen initiatieven die mensen aan het lezen proberen te krijgen. Maar deze app lijkt me geen nobel streven; eerder een manier om uiterst persoonlijke data van gebruikers te verzamelen — waar je dan óók nog voor mag betalen.
Om mezelf wat op te vrolijken, pak ik Harold Blooms De kunst van het lezen er weer eens bij. In de inleiding schrijft hij: ‘Je kan lezen puur om de tijd door te komen of je kan lezen uit een dringende behoefte, maar uiteindelijk lees je in een race tegen de klok.’
Lezen doe je in je eentje — en toch is het een van de weinige solitaire bezigheden die diep sociaal zijn. Het is een bezigheid die stilte en ruimte vraagt, iets wat zelden vanzelfsprekend is in een maatschappij waarin participatie tot wet is verheven.
Literatuur schept juist een ruimte waarin tijd wordt overstegen.
De Ierse schrijver Frank O’Connor stelde ooit dat het korte verhaal uitermate geschikt is voor mensen die aan de rand van de maatschappij staan.
Misschien verklaart het ook waarom ik me thuis voel bij het korte verhaal — én bij het schrijven van dit blog, dat uit relatief korte stukken bestaat.
Daarom pak ik Lucia Berlin [1936 – 2004] er weer eens bij. Haar prachtige bundel Handleiding voor poetsvrouwen ontdekte ik dankzij Pedro Almodóvar en Cate Blanchett. Die twee wilden er samen een film van maken, maar de Spaanstalige regisseur Almodóvar begon aan zijn Engels te twijfelen en haakte af.
Toch deden Blanchett en Almodóvar met hun filmproject-in-wording iets essentieels: ze drukten me op afstand een boek in handen en zeiden als het ware: Lees dit eens — ik denk dat je het mooi zult vinden.
Ik kocht het boek en werd verliefd op de verhalen. “In een krachtige mix van humor en melancholie belicht Berlin de wonderen van het alledaagse”, staat op de achterflap.
Op het eerste gezicht lijken Berlins verhalen geen duidelijke kern te hebben, maar gaandeweg wordt de lezer zélf die kern. Berlin observeert scherp, zonder oordeel, laat haar teksten meanderen zoals het leven en onze gesprekken dat ook doen — en geeft de lezer ruimte voor verwondering.
Lucia Berlin bleef tijdens haar leven vrijwel onbekend; pas na haar dood kreeg ze de reputatie van ‘het best bewaarde geheim van de Amerikaanse literatuur’, mede dankzij de publicatie van Handleiding voor poetsvrouwen in 2015. Ook ik had haar vermoedelijk gemist als Blanchett en Almodóvar dat filmplan niet hadden gehad.
Het had, denk ik, een ideaal project voor Cate Blanchett kunnen zijn — een actrice die juist zo ultiem speelt met de ruimte tussen de woorden, met wat onuitgesproken blijft.
Het is het proces van ruimte scheppen voor waarneming — een perspectief van de buitenstaander, dat rust en stilte vergt.