Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Tsjilp-tsjilp-tsjilp en andere ochtendliedjes

In deze periode heb ik het voorrecht om wakker te worden met de fijnste wekker die je je voor kunt stellen: een vinkje. Iedere ochtend begroet hij me met zijn vrolijke gezang, dat steevast eindigt in een wat vreemd klinkende wending — iets als “tsjilp-tsjilp-tsjilp-tsjilp-tsjihis-to-ry“. Alsof het verleden me even vriendelijk goeiedag zegt.

Ik noem het ‘een begroeting’ en ‘vrolijk gezang’ — maar dat is natuurlijk pure projectie van mijn kant. Voor mij klinkt het opgewekt, ik krijg er automatisch een glimlach van op mijn gezicht, maar het beestje is waarschijnlijk gewoon druk bezig zijn territorium muzikaal af te bakenen.

In mijn vorige appartement keek mijn woonkamer uit op een hoge boom in de tuin van de buren. Aan één van de takken — bereikbaar vanuit mijn raam op de eerste verdieping — hing ik vetbollen en pinda’s op, tot groot genoegen van koolmezen, pimpelmezen, zwartkopjes, langstaartmeesjes, boomklevers, een brutale eekhoorn en, jawel, zelfs een hongerige bruine muis…

Die laatste verraste me zo dat ik de Vogelbescherming een mail stuurde om te vragen wat voor ‘vreemde vogel’ zich tegoed deed aan het vetbolletje. Ze stuurden me een humoristisch geschreven taxonomisch rapport terug.

Op een vroege zondagochtend, het moet rond zeven uur zijn geweest, werd ik gewekt door een ritmisch getik op mijn slaapkamerraam. Geen regen, dat was duidelijk. Toen ik de jaloezie opende, keek ik recht in de priemende oogjes van drie pimpelmezen. Ze klampten zich vast aan de hor en bleven onophoudelijk tegen het raam tikken, alsof ze me iets duidelijk wilden maken.

Ik dacht bij mezelf: “Het zal toch niet waar zijn…?

Op dat moment leken ze voor iets universeel eenvoudigs te staan: dat kleine wezens hun aanwezigheid luidruchtig kenbaar weten te maken wanneer ze nodig hebben wat jij te bieden hebt.

Beneden in de huiskamer aangekomen zag ik het al snel: de vetbol die ik de vorige avond had opgehangen — en die nog vrijwel onaangeroerd was toen ik naar bed ging — bleek spoorloos verdwenen. Alleen het zielige, lege netje bungelde nog aan de tak, als tastbaar bewijs van de vraatzucht van de meesjes en een bont gezelschap van andere opportunisten.

Ik hing maar weer een nieuw bolletje in de boom, en nog voor ik goed en wel klaar was, zat de hele familie pimpelmees er alweer bovenop…

In mijn huidige appartement bevindt de slaapkamer zich onder een plat dak met dakraam. Regelmatig hoor ik gekrabbel, gescharrel, en andere eigenaardigheden boven mijn hoofd.

Eén keer werd ik midden in de nacht wakker van iets wat alleen maar een brute jachtpartij kon zijn. Al stilliggend luisterende leefde ik hartstochtelijk mee met iets kleins, dat zich in doodsangst uit de pootjes probeerde te maken. Afgaande op de woeste geluiden van het jagende dier vermoedelijk om niet als marterontbijt te eindigen…

Een paar weken na de moordpartij werd ik gewekt door een merkwaardig pok-pok —  pok – pok  — pokpokpok! Ik schoof het gordijn opzij en keek recht in de grote, heldere ogen van een meeuw.

“Ook goedemorgen, mister seagull,” mompelde ik.

Hij bleef me roerloos aanstaren, kalm en met een blik die nog het meest leek op nieuwsgierigheid — of was het een oordeel? Even dacht ik: waar staat zo’n starende meeuw ook alweer symbool voor?

Ja, natuurlijk — vrijheid, het leven tussen werelden, een soort boodschapper. Of misschien: een spiegel. De meeuw leek daar boven mijn hoofd te zitten alsof hij iets van me wilde weten — of me juist iets wilde tonen.

Ik moet denken aan Ibsen en Tsjechov — waarom ook niet…? In hun werk lijken zij zich zorgen te maken over de menselijke neiging om de wereld om ons heen betekenis toe te dichten, als manier om onszelf belangrijk te maken. Dingen krijgen pas betekenis wanneer wij die eraan toekennen, wat net zo goed kan leiden tot illusie en zelfbedrog.

Beide schrijvers leerden me om niet te veel in symboliek te lezen, omdat het een manier kan zijn om iets belangrijks te suggereren dat er misschien niet is. Ik weersta daarom de verleiding om de meeuw te zien als een teken van het onbewuste of als een existentiële hint.

Al wil ik het ergens ook geloven — dat zo’n vogel, zomaar op een ochtend, me eraan herinnert dat betekenis niet altijd gevonden hoeft te worden, maar soms eenvoudigweg ontstaat.

En terwijl ik dit stukje schrijf, realiseer ik me plots met absolute, pijnlijke helderheid: ik heb echt veel, en veel teveel gelezen…