In een eerdere blogpost schreef ik over mijn voornemen om eindelijk een artikel te wijden aan de briefkaarten van Elizabeth Bishop, die ik jaren geleden al eens had opgevraagd. Destijds kwam het er niet van – ik was in de greep van een stevige weerstand tegen het schrijven van wat dan ook.
Het laatste wat ik ooit heb willen worden, is schrijver.
Dat ben ik dan ook niet…
Maar inmiddels ben ik dan toch aan die briefkaarten begonnen. En zoals dat gaat: het voorbereidend werk – het bekijken en nalezen van de kaarten – kost tijd. Hopelijk wordt het een langer, meer gestructureerd stuk.
Tot die tijd vind ik het plezierig om wat losser, associatiever te schrijven… Kleine tekstjes waarvan ik vaak niet weet waar ze beginnen of eindigen.
Zo lees ik in De Groene Amsterdammer een verontrustend artikel over de Nederlandse ‘online-manosfeer’. Het stemt me dankbaar dat ik mijn puberteit al lang achter me heb gelaten – dit soort verderfelijk gedachtegoed over wat een ‘echte man’ of ‘echte vrouw’ zou zijn, had mijn puberende zelf vermoedelijk flink in de problemen gebracht, gezien mijn stellige afkeer van labels en hokjesdenken.
Even verderop in hetzelfde nummer staat het winnende essay van de Jan Hanlo Essayprijs Klein, geschreven door Hannah Boekestijn: Het jaar waarin ik beroemd wilde worden.
Tijdens het lezen realiseer ik me dat ik me écht niet kan herinneren ooit gedacht te hebben dat ik (later) beroemd zou willen worden. Integendeel – het lijkt me een gruwel. Het hele idee van een ‘talentenjacht’ heb ik dan ook nooit goed begrepen, behalve als verdienmodel voor producenten.
Boekestijn somt een lijstje op dat ze als kind maakte – Manieren om beroemd te worden:
1. Zeggen dat je voor oorlog bent [een verwijzing naar haar vader, die zich met deze opinie in de nesten had gewerkt]
2. Heel knap zijn
3. Danseres zijn
4. Meedoen aan Idols
5. Actrice worden
6. Schrijver worden
Grappig om te bedenken hoe een kind schrijver worden associeert met beroemdheid nastreven…
Nu denk ik toch weer aan Elizabeth Bishop. Terwijl ik naarstig op zoek ga naar een bepaald fragment, weef ik een intermezzo in mijn schrijven…
Ik weet wat ik zoek, maar kan het nergens meer terugvinden. Wáárom zijn registers toch altijd minder volledig dan ze lijken?
Ik vind mijn gezochte anekdote van Lloyd Schwartz, een goede vriend van Bishop en een latere Pulitzer Prize-winnaar, uiteindelijk toch. Ik ontmoette Schwartz in 2015 voor het eerst, tijdens een conferentie in Sheffield, alwaar hij me uitnodigde om naar Boston te komen – helaas kon ik daar geen gehoor aan geven.
Hij vertelt over een avond in de jaren ’70. Bishop had mensen uit de literaire en academische wereld bij haar thuis uitgenodigd, onder wie de schrijfster Adrienne Rich.
Decennia eerder, in de jaren ’30, had Bishop geweigerd opgenomen te worden in zogenoemde ‘women’s anthologies’, bundels met uitsluitend vrouwelijke dichters. Had ze dat wel gedaan, dan zou ze waarschijnlijk een bekendere naam zijn geworden.
Rich zou zich daarover blijven verwonderen en deed een nieuwe poging om Bishop ervan te overtuigen dat haar werk in zo’n bundel opgenomen moest worden om een groter lezerspubliek te trekken.
Bishop weigerde opnieuw, met een kort maar krachtig: “I think that my audience is large enough.”
Een andere aanwezige herinnerde zich later: “[Bishop] was not, she said, a “woman poet” – she was a poet, plain and simple.” Ik denk niet dat deze bijzonder heldere boodschap overkomt bij figuren die in de manosfeer zijn getrapt…
Misschien is het geen toeval dat ik via de artikelen uit De Groene Amsterdammer toch weer bij Bishop uitkom. Haar rust, weigering om zich te conformeren, en relatieve anonimiteit zijn een welkom tegenwicht in een wereld die luidruchtigheid vaak aanziet voor betekenis – en waarin zichtbaarheid steeds vaker wordt verward met waarde.