Het aangekondigde noodweer van gisteren trok aan mijn zwaar teleurgestelde neus voorbij. Frustrerend – absoluut. Onverwacht – nauwelijks.
In negen van de tien gevallen zie ik het al aankomen: op de radar ontstaan er schitterende onweersbuien boven de Ardennen, die in een schijnbaar noord-oostelijke lijn mijn kant op komen. Ik zit daar steevast verlekkerd naar te kijken.
En dan breekt het hele complex ter hoogte van Visé uit elkaar, om vervolgens keurig om mijn regio heen te trekken… Pas bij Roermond komt het weer samen tot iets indrukwekkends.
En jawel hoor, Midden-Limburg kreeg gisteren zijn portie hoosbuien. Was dát waar ik op zat te wachten? Wateroverlast, hagelstenen ter grootte van pingpongballen? Natuurlijk niet. Maar eerlijk is eerlijk, op zulke drukkend warme dagen weet ik soms niet meer wat erger is.
Goed, genoeg over het weer – voorlopig dan.
In de krant van dit weekend lees ik een essay waarin Arjen van Veelen zich verzet tegen het idee om smartphones voor kinderen te verbieden. Hij citeert daarin de Amerikaans-Vietnamese dichter Ocean Vuong. Van Veelen schrijft dat Vuong – geboren in 1988 – pleit voor spelen op straat in plaats van eindeloos turen naar een schermpje. Op het speelplein, zegt Vuong, ontmoet je échte mensen: mensen die anders zijn dan jij, die je verrassen, die je tegenspreken.
Ik ben van 1983 en ongelooflijk dankbaar dat ik zonder smartphone ben opgegroeid – iets wat ik grotendeels toeschrijf aan mijn hardnekkige telefoonallergie. Ook die met een draaischijf konden me gestolen worden.
Telefoons zijn voor mij ongenode gasten aan tafel: ze kondigen zich niet aan, schuiven ongevraagd een stoel bij en nemen het gesprek over. Met groot gemak halen ze op die manier het bloed onder je nagels vandaan.
Neem nu het schrijven van de stukjes op mijn blog. Ze lijken misschien niet veel, maar vragen wel degelijk concentratie. Komt er tijdens het schrijven iets tussen – zoals een telefoon – dan ben ik niet alleen mijn focus kwijt, maar ook mijn ritme. En dat is funest voor wie probeert creatief te werken. Ik vermoed dat velen dat herkennen.
Virginia Woolf wist het al begin vorige eeuw: schrijverschap vraagt om concentratie, autonomie, een plek zonder verstoring…
“A woman must have money and a room of her own if she is to write fiction.”
De telefoon ontwricht dat ‘eigen kamer’-idee radicaal.
Als kind had ik trouwens een gloeiende hekel aan speeltuinen, pleinen en zo’n beetje alles wat zich buiten afspeelde – zeker als daar leeftijdsgenootjes bij betrokken waren. Gedwongen buitenspelen… de horror. Wat moest ik met al dat geklim en gegil?
Mijn levensfilosofie is simpel: geef me een boek en laat me met rust. In mijn ogen een uitermate sociaal standpunt, alleen lijkt de wereld daar vaak anders over te denken.
In het basisonderwijs, bijvoorbeeld, wordt sociaal gedrag regelmatig vereenzelvigd met ‘omgang met leeftijdsgenootjes’. Maar is dat terecht? Ik zou zeggen van niet. Tot op de dag van vandaag voel ik me beter op mijn gemak bij mensen die (een flink stuk) ouder zijn dan ikzelf.
Ik heb inmiddels geleerd om redelijk om te gaan met mijn afwijkende visie op wat een sociaal leven is, maar toch raakte het me toen Cate Blanchett in het recente – en inmiddels al beruchte – interview, waarin ze zei te overwegen te stoppen met acteren, het volgende opmerkte:
“I’ve always felt like I’m on the periphery of things, so I’m always surprised when I belong anywhere. […] I’ve spent a lifetime getting comfortable with the feeling of being uncomfortable.”
Precies dát. En blijkbaar kun je met die houding en een portie existentiële twijfel toch nog goed terechtkomen…