Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Waar de muurtjes zwijgen en de schapen grazen

Fotoalbums zijn zoveel toegankelijker dan digitale foto’s. Die laatste maak je in overvloed, maar kijk je zelden nog terug – tenzij je ze afdrukt. Vandaag blader ik door een klein album met foto’s uit 2015, gemaakt in het Peak District.

Ik was toen in Sheffield voor een drie-daagse conferentie over de Amerikaanse dichteres Elizabeth Bishop en had er bewust een paar dagen aan vastgeplakt om te verblijven in een charmant, typisch Engels pensionnetje in Castleton – een schilderachtig, maar ook behoorlijk toeristisch stadje.

Het was juni en bloedheet. Niet voor het eerst, en zeker niet voor het laatst, vroeg ik me af waarom ik mezelf dit nu weer had aangedaan. Ik heb niets met toeristen – ook al was ik er zelf een – en al helemáál niets met hitte.

Tot overmaat van ramp maakte ik tijdens mijn eerste ontbijt daar de vergissing mijn nieuwsgierigheid de overhand te laten nemen en de Black Pudding uit te proberen.

Big mistake.

Ondanks mijn aversie tegen zowel toeristen als hitte besloot ik op verkenning te gaan en vond een aantrekkelijk, mysterieus pad dat door een kloof met overhangend gesteente omhoog leidde naar de vriendelijker ogende hogere plateaus.

Aan het begin van de kloof stond een bord met informatie over Arthur Conan Doyle. Ik weet zeker dat ik er een foto van maakte, maar ik heb hem nooit afgedrukt en kan het digitale bestand nergens terugvinden. Toch herinner ik me het bord levendig – het stond daar zo intrigerend, aan het begin van een kloof die zo had kunnen figureren in een van zijn boeken.

Hoe verder ik liep, weg van Castleton, dieper het Peak District in, hoe mínder toeristen en hoe méér schapen ik tegenkwam. Ik maakte talloze foto’s van schapen, zo blijkt uit mijn fotoboekje – de dieren bleken opvallend fotogeniek.

Het landschap lag bezaaid met kronkelende stenen muurtjes, meanderend als verstilde rivieren waar je zo nu en dan overheen moest klauteren. Op de meest vréémde plekken trof ik bordjes met daarop de tekst ‘Public Footpath’, die vervolgens consequent in de richting van de middle of nowhere leken te wijzen, of dwars over het terrein van een boer.

Soms kwam ik een andere eenzame wandelaar tegen. Zoals die ene man met ‘de kaart in zijn hoofd’. Hij kwam uit de omgeving van Kingston upon Hull en kwam al dertig jaar, elk jaar, naar het Peak District om tot rust te komen.

We raakten aan de praat, daar tussen de driftig grazende schapen en de muurtjes die zoveel gezien en gehoord moeten hebben. Op een bepaald moment opende hij zijn rugzak: “Here, let me give you my map!”

Toepasselijk – een van Bishop’s bekendste gedichten heet The Map. Maar de kaart bleek niet in zijn tas te zitten. “I must’ve left it at home – I can picture every inch of the Peak District. I’m sorry, I’d really wanted to give it to you, but I can’t give you something I don’t have.” We praatten nog een poosje over de louterende werking van eenzame wandelingen met jezelf, en gingen vervolgens ieder verder onze eigen weg.

De dag erna leerde ik dat het Peak District een bijzonder eigenzinnig karakter heeft. Het weer sloeg plotseling om – van verzengende hitte naar een hevige onweersbui binnen enkele minuten – precies toen ik me op een hoge plek bevond, tussen muurtjes, schapen en bomen. Mijn hachelijke situatie bezorgde me de stuipen op het lijf.

De onweersbui bleef een poosje boven me hangen en verdween vervolgens net zo abrupt als hij gekomen was. De schapen, onbewogen door de bui, graasden onverstoorbaar verder. Doorweekt – en bepaald niet op de verfrissende manier – besloot ik terug te keren.

Tegen de tijd dat ik de kloof bereikte, was ik alweer opgedroogd door de hitte. Twee mannen kwamen me tegemoet. Ik waarschuwde ze voor het verraderlijke weer. Ze lachten vriendelijk en een van hen zei, bijzonder goedgemutst: “Thank you! But when it’s our time, it’s our time!”

Die opmerking deed me denken aan een moment tijdens het ontbijt met de academici en schrijvers van de conferentie. Een van hen zocht via de app ‘Find a Grave’ naar het graf van een dichter. Geamuseerd zei ik: “You’ve got all the world’s graves in your pocket.” Ze keek me stomverbaasd aan, haar ogen werden groot. “Ohh, that’s a nice one!”

Nadat ik de twee mannen – hopelijk niet op weg naar hun graf – een fijne dag had gewenst en verder afdaalde in de kloof, passeerde ik een grot met een stevig hek ervoor. Achter het hek zag ik een waarschuwingsbord met een vallend poppetje.

Gelukkig maar, dat hek, want uit de onmetelijke diepte kwam een aantrekkelijk ijzige luchtstroom omhoog. Tegelijkertijd weerklonk er een diep, mechanisch gerommel, een geluid dat niet van deze wereld leek – alsof ergens ver onder de grond een oud, mythisch wezen, zwaar en onverstoorbaar, lag te slapen, waarbij zijn ademhaling de aarde deed trillen.

Terug in het pension bestelde ik een Murphy’s. Stom natuurlijk – vraag niet naar Iers bier in Engeland. Sowieso is het oppassen met bier daar: veel ervan smaakt alsof het ergens in een kelder vergeten is.

Een man en een vrouw aan een tafeltje verderop luisterden geamuseerd naar mijn gestuntel met de ober. De vrouw wenkte me en hield haar glas omhoog. “Here, come try this one – it’s Spanish and the only reasonably good beer around here!” Ik nam een slok – en inderdaad, dat smaakte naar meer. Zou je tegenwoordig nog zomaar een slok mogen nemen van het biertje van een vreemde?

Na drie dagen kwam mijn tijd in het Peak District ten einde. De eigenaar van het pension waar ik verbleef, bracht me naar het dichtstbijzijnde treinstation. Het droeg de naam ‘Hope’. Het had niet passender kunnen zijn.

Ik sla mijn fotoboekje dicht. Misschien ga ik ooit nog wel eens terug.

Topography displays no favorites; North’s as near as West.
More delicate than the historians’ are the map-makers’ colors.
The Map, Elizabeth Bishop