In de jaren ’90, toen ik midden in mijn puberteit zat, bevond ik me op school tussen een zwerm pubermeiden die werkelijk nergens anders over konden praten dan over de destijds mateloos populaire Leonardo DiCaprio en Brad Pitt. Het was om gek van te worden – éindeloze ‘gesprekken’ over wie van de twee nu écht de knapste was. Steevast, in élke pauze: diezelfde bloedirritante vraag.
“Wie vind jij het knapst, Yvette? Leonardo DiCaprio of Brad Pitt?”
Hoe moet je daar in vrédesnaam serieus op antwoorden? Ik kon de twee mannen hooguit beoordelen op hun acteerwerk – op de manier waarop ze emoties wisten over te brengen. Maar of ze knap waren? Geen flauw idee, en eerlijk gezegd: wat deed het ertoe? Als je dan toch DiCaprio en Pitt naast elkaar wilde zetten, stel dan tenminste de vraag wie van de twee het sterkst acteert. Maar zelfs daar zou ik geen hard oordeel over durven vellen. Ze zijn simpelweg totaal verschillend – andere stijlen, andere keuzes. Je kunt Titanic toch onmogelijk vergelijken met Seven Years in Tibet?
Toegegeven: ik kon het fysieke aspect niet helemaal negeren. DiCaprio’s eeuwige babyface zat me dwars. Natuurlijk kon hij daar zelf weinig aan doen, maar het werd zó uitgekauwd als onderdeel van zijn imago dat het mijn kijkplezier begon te beïnvloeden.
Gelukkig wist hij dat tieneridool-label vrij snel van zich af te werpen – vooral vanaf het moment dat hij Howard Hughes vertolkte in The Aviator. In hoeverre Cate Blanchett – die schitterde als Katharine Hepburn – me geholpen heeft mijn mening over hem bij te stellen, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Tijdens de opening van Fellowship of the Ring had ze me al moeiteloos overtuigd van háár talent – zonder in beeld te zijn, op een fractie van een seconde na dan. En het grappige aan die film is dat je na de proloog vervolgens nog zo’n twee-en-eenhalf uur moet wachten totdat Galadriel daadwerkelijk verschijnt…
Maar het blijft eigenaardig. Bij acteurs lijkt het haast vanzelfsprekend dat er een fysieke fascinatie meespeelt, terwijl niemand ervan uitgaat dat ik op die manier naar schrijvers of componisten kijk – terwijl ik ook dáár grote bewondering voor kan voelen. Misschien komt het doordat film nu eenmaal een visueel medium is, waardoor acteurs letterlijk meer ‘aanraakbaar’ lijken dan auteurs of muzikale genieën. Volgens mij is die tastbaarheid een illusie.
Of misschien ligt het gewoon aan mij, en mis ik iets wat voor anderen vanzelf spreekt. Zou niet de eerste keer zijn dat ik volledig over het meest voor de hand liggende heen kijk…