Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Terug naar Metropole Tuschinski

Het stukje over Leonardo DiCaprio en Brad Pitt bracht me ineens terug naar Metropole Tuschinski – die statige bioscoop op de hoek van de Carnegielaan en de Laan van Meerdervoort, ooit een van de 95 (!) bioscopen die Den Haag rijk was.

In 1974 schreef een journalist: ‘Het theater bleef een van de betere van Den Haag. En nog niet eens zo lang geleden was het een theater waar je zonder stropdas nauwelijks naar binnen durfde te gaan.’

In 1976 onderging Metropole Tuschinski een verbouwing: de grote zaal kwam op de eerste verdieping, en vier kleinere op de begane grond. Toch ervoer je de vroegere grandeur van het filmtheater nog altijd in de jaren negentig – althans, als je je niet liet overspoelen door Leonardo DiCaprio-fans.

Want dat was nóg zo’n film waar je simpelweg niet omheen kon: Titanic. De gekte die deze film veroorzaakte was nauwelijks te vermijden, dus als je de hysterie wilde ontlopen, moest je wel een beetje strategisch plannen.

In 1997 draaiden Titanic en Seven Years in Tibet tegelijkertijd. Als puber van veertien, misschien vijftien, ging ik samen met mijn ouders naar laatstgenoemde. Deze film werd vertoond in een van de kleine zalen beneden, waar mijn ouders en ik de enigen waren, terwijl boven onze hoofden Titanic op volle toeren draaide in de grote zaal – op meta niveau een soort van David versus Goliath vergelijking.

Zelfs mét strategie was het nog een hele klus om op tijd een kaartje voor onze film te bemachtigen, tussen de hysterische meute door die niet kon wachten om naar boven te stuiven, alsof DiCaprio himself daar op hen stond te wachten. Ik doe soms rare dingen, maar deze massale aanbidding ging zelfs mij wat ver. Juist daardoor is het me ook zo goed bijgebleven.

Seven Years in Tibet was een prachtige film. Adembenemende beelden, schitterende muziek van John Williams. Totdat plotseling een dreunend geraas de serene atmosfeer verstoorde. Het moet het moment zijn geweest waarop de Titanic de ijsberg raakt – alleen klonk dat, vanuit onze kleine zaal onder de grote, alsof het iconische schip rechtstreeks de Himalaya in donderde. De charme van óf een te goed geluidssysteem, óf gebrekkige geluidsisolatie: je kreeg er gratis een alternatieve beleving bij.

In 2004 sloot Metropole Tuschinski voorgoed haar deuren. Het pand werd verbouwd tot appartementencomplex. En ik weet niet wat het is, maar wanneer een bioscoop verdwijnt, voelt dat altijd een beetje alsof er iemand overlijdt.

Alsof een plek waar jarenlang werd gelééfd – gelachen, gehuild, gehuiverd – ineens wordt uitgewist. Zoals je dat soms in spookverhalen leest – ruimtes die een soort afdruk dragen van alles wat er ooit is gevoeld. (De Engelsen zijn daar trouwens briljant in. Je hoeft die verhalen daar niet eens te zoeken, ze lijken gewoon in de lucht te zweven.)

Maar goed, de sluiting van een bioscoop vergelijken met een overlijden is niet zo gek als het klinkt. Decennialang heeft een stroom mensen daar al hun denkbare emoties beleefd, en sterk gevoelde emoties laten sporen na. Die blijven voelbaar, zelfs als ze van onbekenden zijn – ze worden even de jouwe. Dat is het bijzondere eraan.

En dat verdwijnt wanneer een icoon als Metropole Tuschinski de deuren sluit. Dan blijft er een leegte achter die zich niet laat vullen – een stilte die meer zegt dan welk gesprek in een appartementencomplex ooit zal doen.