Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Koekblikcultuur

“Je moet echt wat vaker rijden met je auto, hoor… Zeker nu de winter eraan komt. Een stilstaande auto in de kou is funest voor de accu”, zei iemand laatst tegen me.

Ik knikte wat gelaten, want: ervaring. Een paar jaar geleden, op de dag dat ik een onmisbare afspraak had, besloot de accu van mijn autootje dat hij het bestaan wel genoeg vond geweest.
Stress alom, en twintig euro voor een taxiritje naar mijn bestemming was ik vervolgens armer.

“Ik ben nu eenmaal extreem milieubewust”, grapte ik zwakjes terug.

Maar eerlijk: rijden-om-het-rijden staat me tegen. De gedachte dat ik dan maar wat kilometers moet maken om de techniek tevreden te houden, voelt alsof ik een mechanische hond moet uitlaten, een die benzine moet lozen.

Ik houd niet eens van honden…

Een ander wees me onlangs op Annie Ernaux’ De jaren, een boek dat ik jarenlang om een of andere reden hardnekkig had verward met Virginia Woolfs The Years…

Ernaux beschrijft hoe de consumentencultuur na de Tweede Wereldoorlog op stoom kwam, en hoe status langzaam maar zeker in blikken vorm door de straten rolde.
De auto als vrijheidsbelofte…
eigenlijk vooral als nietszeggend visitekaartje, een cadeautje voor het ego.

Ik moest terugdenken aan mijn rij- en theorie-examens.
Vooral die laatste was rampzalig: drie pogingen waren er voor nodig. Niet dat de stof zo ingewikkeld was, maar meerkeuzevragen ontregelen mij: ze vormen zo ongeveer letterlijk de hel op aarde.

Bij twee van de vier antwoorden speelt zich namelijk meteen een hele mini-opera aan scenario’s in mijn hoofd af. En bij het theorie-examen zat er ook nog een timer op: zoveel seconden per scenario.

Onbegonnen werk.

Mijn rijinstructeur heeft uiteindelijk een avond met me aan tafel gezeten — niet om de verkeersregels uit te leggen, maar om me te leren hoe je zo’n toets maakt.
Dat vind ik nog steeds de omgekeerde wereld: de stof begrijpen gaat prima, maar weten hoe je een examen moet afleggen is wat mij betreft een geheel eigen vakgebied.

De kwantummechanica onder de examens.

Op het nippertje haalde ik het, en de dag erna mocht ik afrijden. Ik was nerveus, maar het ging redelijk soepel… tot het moment van fileparkeren.

“Parkeer hier maar tussen”, zei de examinator terwijl we een smal eenrichtingsstraatje in reden.

“Er komt een auto van achteren”, zei ik nog.

“Dan wacht ’ie maar even.”

Mooi niet.

Terwijl ik mijn richtingaanwijzer aanzette ten teken dat ik in wilde gaan parkeren, knalde de achteropkomende, opgefokte automobilist via de stoep langs ons heen, rakelings langs de rechterkant van de auto.

Ik zag het gebeuren, schrok, stopte direct.

Toen ik vervolgens opnieuw achteruit wilde gaan om in te parkeren, trapte de examinator hard op de rem: achter de idioot-op-vier-wielen bevond zich óók nog een levensmoede fietser die hetzelfde trucje uitvoerde.
Die had ik niet gezien.

Een trap op de rem door de examinator betekent doorgaans:
jammer, game over.
Toch kreeg ik niet veel later nog een kans.
De herhaling verliep vlekkeloos; we zigzagden nog wat door Haagse eenrichtingsstraatjes voordat we terugreden richting het CBR.

“Die auto voor ons lijkt me wel wat voor jou”, zei de examinator terwijl we stilstonden bij een stoplicht.

Het was een forse, dure auto — en smerig bovendien.

“Die heeft dringend een sopje nodig, minimaal,” zei ik.
Mijn examinator schoot in de lach.

“Gefeliciteerd, je bent geslaagd,” zei hij bij het nagesprek.

“Maar u trapte op de rem?”

“Dat was een uitzonderlijke situatie. Jij schrok — terecht — en zowel die automobilist als fietser overtraden de regels. Je hebt de rest van de rit uitstekend gelet op verkeer én borden, en je bleef rustig genoeg om met mij te praten én grapjes te maken over een vieze auto.”

Jaren later reed ik in een Suzuki Alto naar Zwitserland.
Dat kleine, robuuste autootje tufte de Nufenen-, Furka- en Grimselpas op alsof we samen in een jaren-vijftigfilm speelden.

Alles ging iets langzamer dan de glimmende bolides die langs me suisden.

Maar juist dat had charme. Zelfs achter het stuur ervoer ik, dankzij de langzame ritmiek, de diepe geologische tijd die deze ontzagwekkende bergketen had vormgegeven.

De auto als commercieel verlangen, zoals Ernaux beschrijft, heeft generaties comfort gebracht, vooral voor wie de oorlogsjaren nog in het lijf droeg. Toch raakte de mens, naarmate de koekblikken-op-wielen groter, sneller en agressiever werden, iets anders kwijt.

Tijd.