Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Het rendement van menselijkheid

In NRC stond dit weekend een reportage die me al bij de eerste alinea stil kreeg. Het stuk gaat over de Rotterdamse postbezorger Ahmed Abdillahi, die als kind gevlucht was uit Somalië. Al vijftien jaar brengt hij, door weer en wind, de post rond in een stad van twee ritmes: torens aan de Maas waar glaswanden tot de hemel reiken, en Rotterdam-Zuid, waar de straten het van mentale veerkracht moeten hebben.

Dag in, dag uit, ziet Abdillahi het contrast, terwijl hij moeiteloos namen laat vallen als Michael Sandel, Bertolt Brecht en Tim Jackson. ‘Een post-growth-econoom, nooit van gehoord?’ zegt hij, alsof hij het weerbericht voorleest.

Abdillahi ziet hoe weinig de mensen aan beide kanten zich nog werkelijk tot elkaar verhouden. Zelfs de gemeente heeft een voorkeur: het centrum moet schoon. De rest mag tegen wil en dank bestaan.

Vanaf zijn telefoon leest hij de definitie van rendementsdenken voor:
“Het idee dat alles maar in cijfers, geld en rendement uitgedrukt moet worden. Waarbij er geen oog meer is voor de menselijke maat, de zachte en onmeetbare waarden in het leven.”

Bij PostNL voelt hij dat dagelijks. Geen koffieautomaten meer bij de verzamelpunten, en als hij moet plassen moet hij maar hopen dat een café hem binnenlaat. Zelfs de wc’s zijn door zijn werkgever wegbezuinigd; efficiëntie ruikt nooit naar koffie.

Misschien raakt de reportage met Abdillahi me omdat ik in een ander leven een héél klein beetje in zijn schoenen heb gestaan. Tien jaar geleden bracht ik namelijk wel drie dagen lang de post rond in mijn dorp…

Het werk is zwaar.

De mensen bij wie je post moet bezorgen zijn vaak verre van vriendelijk.

En soms is het ronduit gevaarlijk werk!

Op mijn eerste werkdag werd ik bijna gebeten door de agressieve hond van een bewoner – ik was het monster net iets te snel af want ik had het naargeestige gegrom van de hellehond op tijd gehoord en het tuinhek pontificaal in zijn snufferd dichtgeslagen.

Op mijn derde werkdag stond ik, tot op het bot doorweekt, te schuilen voor het onweer onder de luifel van een peperduur huis. Een bewakingscamera volgde iedere beweging die ik maakte, terwijl het midden op deze verstikkend hete zomerdag pikkedonker was geworden en de hemelsluizen zich tot het uiterste openden.

Nadat een half uur later de lucht weer enigszins was opgeklaard vervolgde ik mijn ronde. Prompt haalde ik mij de woede van een bewoonster op de hals door de post van haar buren in haar brievenbus te stoppen. Dat was kennelijk veel vaker gebeurd – deze twee adressen in kwestie zijn bijzonder verwarrend voor een beginnende postbode – maar ze zocht mij uit om haar frustratie op af te reageren.

“Sorry mevrouw, maar dit is pas mijn derde werkdag en mijn begeleider is ziek. Ik zal er in het vervolg beter op letten.” Maar ik had al besloten dat dit vervolg er niet zou gaan komen. Die middag diende ik mijn ontslag in.

Tegenwoordig heb ik een vaste postbezorgster. Een vrouw met een opgewektheid die geen rendementsmodel kan bevatten. Ze maakt graag een praatje—een gave voor smalltalk die ik zelf niet bezit, maar zij tilt het gesprek moeiteloos op, alsof er altijd wel een reden is om even stil te staan.

Neem nu afgelopen week. Ik was wat brood gaan halen bij de buurtsuper, en toen ik mijn voordeur opende, zag ik haar, zwaar bepakt met nog volle postzakken op haar fiets, aan komen rijden. Ik liet de voordeur even openstaan en ja hoor: “Ik heb leesvoer voor je!” klonk het enthousiast terwijl ze de post triomfantelijk omhoog hield.

Ze begon een verhaal over de naderende feestdagen waar ze zoveel zin in had, waarbij ik ook leerde dat de vroege-zondagochtend-kinderfilms die we in mijn bioscoop vertonen ook een klein persoonlijk drama met zich meebrengen:
“Die beginnen veel te vroeg! Kom ik net onder de douche vandaan, gaat de telefoon: “Oma, wij willen naar de film!” Moet ik mij razendsnel aan gaan kleden om nog op tijd te kunnen zijn. Allemaal hartstikke leuk hoor, vooral voor die kleintjes, maar het is mijn enige vrije dag…”

Ik kan haar geen ongelijk geven.

“Je huisbaas begint straks weer met kerstboompjes verkopen hè?” gaat ze verder. “Ik zie dat ze al bezig zijn met de voorbereidingen. Zodra ze open zijn ga ik gelijk een boompje halen. Die zet ik dan wel pas na Sinterklaas op hoor, maar hij blijft wel tot ruim in februari – soms zelfs maart – staan!”

“Heb je tegen die tijd dan geen kale takjes, een soort skelet van wat eens een mooie groene boom was, met nog een beetje het idee van iets dat leeft?” vraag ik haar, verbaasd.

“Ik heb een stofzuiger, rikke-tikke-tik, naalden opgeruimd en ach, kaal of niet, ik vind het nog steeds zóóó gezellig!”

Het klinkt alsof ze nu al zin heeft in het geluid van vallende dennennaalden in huis.

Er rijdt hier ook een trouwe pakketbezorger door het dorp. Een ontzettend aardige jongen die niet past in het karige, nationalistisch-racistische plaatje waar een groot deel van het electoraat toch weer op heeft gestemd. Hij spreekt nauwelijks Nederlands, maar begrijpt het des te beter, en zijn begroetingen aan de deur of wanneer ik hem tegenkom in het dorp zijn altijd vrolijk en uitbundig.

Door een probleem met track-and-trace was ik laatst niet thuis toen een pakje werd bezorgd. Toevallig liep ik hem een dorp verderop alsnog tegen het lijf, terwijl hij pakjes rondbracht.

Hiiii!” wuifde hij en drukte me meteen mijn pakketje—met daarin de door mij zo geliefde Twinings Tea—in mijn handen. Ik zei dat ik het vervelend vond dat ik niet thuis was toen hij bij mij aan de deur stond: “No problem, have a nice weekend!”

Niet iedereen houdt zich zo goed staande. Er was eens een DHL-bezorger die op een snikhete dag voor mijn deur ontplofte—letterlijk en figuurlijk. Wie ooit met DHL heeft geworsteld weet dat het geen postbedrijf, maar een loterij is, eentje die je meestal verliest.

De bezorger schreeuwde me toe omdat ik, volgens hem, te laat open deed: “HAD DAT NOU ECHT NIET SNELLER GEKUNT, JOH?” kreeg ik naar mijn hoofd geslingerd. Ik liet hem de trap zien die ik eerst af moet. Vervolgens bood ik hem water aan, want woede ziet er op zo’n dag eigenlijk vooral uit als uitdroging.

“Nee… nee, dank je,” zei hij, een beetje van zichzelf geschrokken, “dat is echt heel vriendelijk van je, maar ik heb gelukkig nog een flesje water in mijn busje.”

Mensen als Abdillahi, de post- en pakketbezorgers in mijn dorp — zelfs de oververhitte DHL’er — houden iets overeind dat we niet in cijfers kunnen vatten. Het zijn de mensen die niet in rendement denken die blijven geven — ook als niemand dat van hen vraagt.