Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


De dame in zwart

Onlangs gaf iemand mij een boekje cadeau van Simon Carmiggelt: De rest van je leven. De naam kende ik wel, maar verder reikt mijn kennis van Nederlandse schrijvers vaak niet.

“Het lag in een van die minibibliotheekjes die je her en der ziet. In dit geval stond er eentje op de camping waar ik verbleef. Terwijl ik de korte verhalen las, dacht ik ineens aan jouw blog. Dus heb ik het niet teruggezet, maar nam ik het voor jou mee, in de hoop dat je er iets in zult herkennen en dat je er iets aan zult hebben.”

Inmiddels heb ik er een aantal verhalen uit gelezen. Soms herken ik in de toon en onderwerpen inderdaad iets dat aan mijn eigen schrijfstijl doet denken. Neem het tweede verhaal, getiteld Haar.

Het begint zo: ‘In Parijs zei mijn vrouw: “Je moet je haar eens laten knippen.” Ik heb vaag geknikt, maar niks beloofd.’

Het verhaal krijgt al snel een andere wending, maar ik bleef hangen bij mijn eigen ongemak met kappers. Niet zozeer dat irritante gefrunnik aan je haar, maar vooral de opgewekte, verplichte smalltalk maakt me horendol.

De laatste keer dat ik in een kappersstoel zat, is dan ook inmiddels zeker tien jaar geleden. Tien minuten ‘gezelligheid’, een centimeter minder haar en dertig euro lichter, liep ik voor de laatste maal bijzonder chagrijnig naar buiten.

Sindsdien knippen mensen die ik persoonlijk ken – zónder diploma – mijn haar: gewoon een beetje bijknippen is al wat nodig is. En het grote voordeel is dat je niet wordt lastiggevallen met lege praatjes en veel te dure rekeningen.

Als tiener had ik in Zoetermeer wél een bijzondere en goede kapster. Ze werkte aan huis, een nette, streng ogende dame, altijd in het zwart gekleed.

Op een dag vroeg ik haar mijn hoogblonde haar zwart te verven. Via de spiegel keek ze me geschokt aan. De tijd stond even stil.

“Dat ga ik niet doen”, zei ze beslist.

“Waarom niet?” vroeg ik verbaasd.

“Dat zal ik mezelf nooit vergeven. Ik moet je haar eerst bleken en dan verven, en daarna komt het nooit meer goed.”

Maar tieners zijn koppig. Na wat verbaal heen-en-weer-geping-pong, stelde ze uiteindelijk voor: “We maken een deal. Als jij bij de drogist zwarte haarverf weet te kopen, dan zal ik je haar verven.”

Dertig jaar later kwam ik haar weer tegen. “Herken je me nog?” vroeg ze.

“Zeker,” zei ik. “En ik heb me altijd afgevraagd of u niet even de drogist had gebeld, toen ik er op mijn fiets naar op weg was.”

Ze glimlachte, maar zweeg. En ik wist genoeg. De drogist had me die verf namelijk geweigerd – wat opmerkelijk is voor een ondernemer.

“Je haar is misschien wat donkerder geworden”, zei ze vervolgens. “Zoals bij veel blondines het geval is. Maar je haar is nog steeds bijzonder mooi, en dat zou je hebben verloren als je het destijds geverfd had.”

Waarschijnlijk zie ik haar nooit meer terug. Zoals je zóveel mensen uit het oog verliest die tóch een blijvende indruk achterlaten, en die je eigenlijk nog eens zou willen spreken.

Terwijl ik dit stukje schrijf, speelt Radio 4 Klassiek het Miserere mei, Deus op verzoek van een luisteraar.

Dat betekent bij mij maar één ding: alles uit handen laten vallen, de volumeknop op standje ‘burenruzie’ en genieten bij die goddelijke hoge C – zij het wat ontsierd door het ruisen van de FM-frequentie, want daar luister ik nog steeds naar. Imperfectie, daarentegen, ís goddelijk.

En ineens ben ik weer terug in dat kleine kapperszaakje van de dame in het zwart, waar altijd, maar dan ook altijd, klassieke muziek klonk.

Waar praten mocht, maar beslist niet noodzakelijk.