“Jan Terlouw is overleden”, zei een collega gisteren tegen me.
“Ik had het al gehoord”, antwoordde ik. “Op hoge leeftijd, dat wel, maar toch zonde. We hebben mensen zoals hij hard nodig.”
“Ik heb zijn boeken verslonden”, vervolgde mijn collega.
“Ik ook”, zei ik. “Samen met die van Thea Beckman. Die verhalen – avontuurlijk, meeslepend – hebben mijn liefde voor literatuur blijvend aangewakkerd.”
Het waren zelden de bekendste titels die mijn aandacht trokken. Bij Terlouw was het vooral De kloof die me is bijgebleven, een jeugdroman uit 1983 – toevallig ook mijn geboortejaar. Ik kan me de plot niet meer volledig herinneren; wat bleef, is het gevoel, de indruk die het verhaal maakte.
Wikipedia helpt mijn geheugen op weg:
“Het verhaal gaat over een fictief land dat door een diepe kloof in tweeën wordt gespleten, en over een groep mensen die deze kloof letterlijk en figuurlijk wil overbruggen.”
Die herinnering roept iets op – vaag, maar onmiskenbaar politiek van aard. En vandaag, in NRC, lees ik het letterlijk: “De boeken van Jan Terlouw brachten kinderen politieke moed bij.” Ja, dat herinner ik me van De kloof: het voelde als een waarschuwing, destijds uiteraard nog grotendeels ongrijpbaar voor mijn jonge geest.
Ik lees verder op Wikipedia:
“Berg-en-Dal werd 45 jaar geleden opgeschrikt door een zware aardbeving, die een kloof veroorzaakte die sindsdien dwars door het land loopt. De kloof is te diep om in af te dalen, te breed voor een niet-ondersteunde brug, en bovendien gevuld met gevaarlijke gassen.”
In het noordwesten – Bergen – bloeide de samenleving op, geholpen door een mild klimaat. In het zuidoosten – Dal – sloeg de droogte toe. De ongelijkheid groeide. De inwoners van Dal willen dolgraag een brug. Ze willen weg – naar Bergen, naar kansen, naar een beter leven en een toekomst voor zichzelf en hun kinderen.
De kloof verscheen jaren voor de val van de Muur, en lang voordat het digitale tijdperk beloofde dat het ons zou verbinden – maar ons steeds vaker verdeelt. Die kloof, die metafoor, voelt actueler dan ooit. We worden uit elkaar gedreven, niet alleen door economische systemen of politieke muren, maar ook door algoritmes die verdeeldheid aanwakkeren onder het mom van verbondenheid.
Ik heb, net als Terlouw, nooit veel vertrouwen gehad in het technologische vooruitgangsdenken. Er zit iets existentieels naïefs in. Want uiteindelijk verandert de mens zelf niet. Tegelijkertijd heb ik ook nooit helemaal mee kunnen gaan in zijn inmiddels beroemde touwtje-uit-de-brievenbus narratief.
Vertrouwen is mooi, maar ook kwetsbaar – zeker in een wereld waarin de kloof zo tastbaar is.
Dat principe van vertrouwen, van redelijkheid – het klonk ook in zijn politieke stem, en riep weerstand op. NRC citeert uit Trouw:
“De smetteloze keurigheid waarmee hij praat en gebaart, denkt en schrijft, roept een lastig te onderdrukken neiging tot opstandigheid op. Alles wat hij zegt is zo afgewogen, zo gepast en bovenal zo tergend juist.”
Misschien is dat wel wat het meest frustreert: de ander die wél helder ziet, wél durft te benoemen wat de meesten liever verhullen. Iemand die – met bijna röntgenachtige precisie – door de sociale schijnstructuren heen prikt en het wezenlijk destructieve daarin blootlegt. En dat jijzelf dat niet kúnt of wílt inzien, omdat dat jouw eigen sociaal-economische positie weleens zou kunnen bedreigen.
De kloof van Terlouw ligt niet in het landschap, maar in onszelf, ze loopt als een breuklijn door onze maatschappelijke fundamenten – en ze lijkt alleen maar dieper te worden.
Misschien zouden we figuren als Marjolein Faber eens een exemplaar van De kloof cadeau moeten doen – maar ik vrees dat ze niet kúnnen, of gewoon niet wíllen begrijpen waar het werkelijk over gaat.