Toen ik eerder dit jaar Cate Blanchett enthousiast hoorde vertellen over het zintuiglijke plezier van het in een speler schuiven van een VHS-band, moest ik hardop lachen – daar in het Oude Luxor, waar ze te gast was voor de Big Talk van het IFFR. Het was zó herkenbaar, en ze wist het zó smakelijk te verwoorden. Vooral haar opmerking over de vergankelijkheid van VHS raakte iets essentieels: dat er juist iets plezierigs schuilt in het feit dat het beeld langzaam achteruitgaat, simpelweg omdat je de band steeds opnieuw afspeelt, uit pure liefde voor dat ene beeld, dat ene fragment.
Nee, ik zou nu geen VHS- of cassettebandjesverzameling meer beginnen. Maar LP’s, die koester ik nog altijd. Vanwege hun tastbaarheid, maar ook vanwege hun hoorbare vergankelijkheid. Ik heb een prachtige collectie klassieke muziek op vinyl, en de ruis voegt iets toe – een extra laag, een textuur in de klank.
Ik geniet ervan om de naald voorzichtig schoon te blazen, de plaat zorgvuldig af te vegen, en dan dat moment waarop de naald in aanraking komt met het vinyl. Zelfs dat hartverscheurend schurende geluid wanneer de naald uit de groef schiet – wat wel eens gebeurt, vooral als de speler niet helemaal waterpas blijkt te staan – hoort erbij. Het maakt deel uit van de ervaring.
Het doet me denken aan het plezier van analoge fotografie – tactieler dan dat wordt het nauwelijks. Soms zie je het terug op het grote doek, wanneer filmmakers werken met filmrollen in plaats van digitale camera’s. Maar dan liever geen strak 35mm-formaat. Nee, liever Super 16mm, zoals in Carol (2015), waardoor het beeld een huid krijgt. Een film die je fysiek wilt aanraken.
Analoge fotografie is een klasse apart. Het spannendste – en meteen ook het meest zenuwslopende – is het ontwikkelen van de film. Maar het leukste deel blijft het afdrukken. De baden klaarmaken, het licht precies afstellen, proefjes maken. En dan dat moment waarop je denkt: nu klopt het. Je stelt de belichtingstijd in, drukt op de knop, en de ruimte vult zich met intens en tegelijkertijd rustgevend rood licht. TAK. De seconden tikken weg. En dan leg je het nog altijd maagdelijk witte fotopapier in het ontwikkelbad.
Spanning ten top.
Er is niets mooiers dan die eerste seconden waarin het beeld begint te verschijnen. Dat trage, magische ontvouwen. Analoge fotografie draait om tijd – om wachten, kijken, voelen. Het maakt tijd tastbaar. En dat is zó fijn.