Ik ben meestal geen voorstander van het verplicht stellen (of verbieden) van boeken – simpelweg omdat het zelden werkt. Toch maak ik één uitzondering: De wereld van gisteren van Stefan Zweig. Geen enkel ander boek heb ik met zó vol onderstrepingen, ezelsoortjes en kleurrijke notitiebriefjes gevuld. En geloof me, normaal behandel ik boeken met fluwelen handschoentjes.
Zweigs autobiografie is, misschien wel meer dan ooit, een waarschuwing voor de wereld van morgen. Met meesterlijke precisie beschrijft hij de ondergang van de wereld die hij kende – en juist dat maakt zijn zelfgekozen dood, samen met zijn vrouw op 22 februari 1942 in Brazilië, des te tragischer. De teloorgang van zijn geliefde Europa brak hen; zij zagen geen toekomst meer voor het continent.
Hoewel het een autobiografie is en de gebeurtenissen werkelijk hebben plaatsgevonden, is dat op zich nog geen garantie voor een meeslepende leeservaring. Toch weet Zweig je niet alleen mee te voeren naar de wereld van gisteren, maar laat hij je tegelijkertijd voelen hoe broos ogenschijnlijk zekere tijden kunnen zijn. Voor je het weet, is het allemaal verdwenen.
Er valt enorm veel te zeggen over dit werk, en ik weet zeker dat ik er later nog eens op terugkom. Voor nu wil ik me beperken tot het begin van zijn prachtig opgebouwde verhaal. Zweig neemt je mee naar het Wenen van de vroege twintigste eeuw, een tijdperk dat Europa fundamenteel zou veranderen, en waar hij zich omringd wist door invloedrijke denkers, kunstenaars en schrijvers. Hij schrijft over ontmoetingen met namen als Gorki, Einstein, Mahler, Freud – noem maar op. Alles gebeurde dáár.
‘Wat het mooiste geschenk van mijn jeugd was geweest, de omgang en vriendschap met de beste creatieve geesten van die tijd, werd wat mijn eigen productiviteit betreft vreemd genoeg een gevaarlijke remming. Ik had te goed geleerd wat echte kwaliteit was; en dat maakte mij schuchter.’
Die woorden herken ik. Ik zou niet zo ver willen gaan om te zeggen: “als je wilt schrijven, lees dan niet,” maar Zweig raakt hier wel iets pijnlijks. En het duurde dan ook ruim dertig jaar voordat hij zijn eerste roman schreef, hoewel dit uiteindelijk onvermijdelijk bleek:
‘Later weet je dat je echte levensweg van binnenuit bepaald wordt; hoe slingerend en zinloos onze weg ook lijkt af te wijken van wat we willen, uiteindelijk leidt hij ons toch naar ons onzichtbare doel.’
Ik moest denken aan wat een docente ooit tegen me zei tijdens een mentorgesprek:
“Yvette, de meeste mensen leven hun leven lineair, van A naar B, en dat is helemaal prima. Maar bij jou heb ik sterk het gevoel dat je leven zich via vele zijpaden en omwegen zal voltrekken. Dat is de moeilijkere, maar ook interessantere weg.”
Ze had gelijk. En ik ben nog onderweg, zoekende. Juist daarom spreekt iemand als Zweig me zo aan. Zijn autobiografie biedt niet alleen inzicht, maar ook troost. Neem dit fragment:
‘In mijn novellen is het altijd degene die het lot tot verliezer bestempelt, die mij aantrekt, in mijn biografieën de figuur die niet in de realiteit succes heeft, maar die in morele zin gelijk krijgt, Erasmus en niet Luther, Maria Stuart en niet Elisabeth, Castellio en niet Calvijn […]’
Zweig koos dan wel voor de dood, maar hij was geen verliezer. Integendeel: hij is groots, juist in zijn bescheidenheid en morele kracht. We kunnen allemaal iets van hem leren. Daarom is hij de uitzondering op de regel: De wereld van gisteren zou iedereen moeten lezen. Hoe eerder, hoe beter. Zweig biedt houvast – als schrijver, als mens, als gids door een wereld die steeds weer lijkt te wankelen.