Uitzonderingen daargelaten ben ik zelden enthousiast over het Nederlandse televisieaanbod – en dan druk ik me nog voorzichtig uit.
Heel Holland Bakt, Chateau Meiland, Boer zoekt Vrouw – datingprogramma’s in het algemeen – zijn gewoon niet aan mij besteed. Onpopulaire mening, ik weet het, want het zijn publiekslievelingen.
Laat ik meteen een disclaimer toevoegen, want ik hóór het gemor al: natuurlijk is het helemaal prima als mensen daar wél plezier aan beleven, of er zelfs ontspanning in vinden. Maar het is evengoed mijn goed recht om de tv uit te laten – en zo mijn eigen voorkeuren te hebben.
Zo kijk ik graag naar Het Filosofisch Kwintet. Bij het starten van dit blog nam ik me voor om politiek zoveel mogelijk te vermijden, maar de aflevering van vandaag ging over de psyche van de autocraat.
Hoewel de hele uitzending het terugkijken waard is, was het vooral een opmerking aan het einde die me raakte – of misschien beter gezegd: die me niet verbaasde, maar me toch schokte.
De opmerking luidde:
“In dat kader kun je van autocraten zeggen dat zij heel goed zijn in wat schrijvers verteltijd noemen. Ze weten hoe belangrijk het is om het tempo te variëren. Om iets heel rustig te doen en dan ineens bliksemsnel iets anders te doen.”
Een meester in literaire tempowisselingen was Thomas Mann. Dat was niet geheel toevallig. Begin twintigste eeuw bezocht hij regelmatig concerten van dirigent en componist Gustav Mahler en raakte diep onder de indruk van diens muzikale opbouw. Mann leerde van hem over de ritmiek van de symfonie:
“Scherzo. Kräftig, nicht zu schnell.” – “Adagietto. Sehr langsam.”
Die muzikale structuur is terug te vinden in zijn romans, met als bekendste voorbeeld De Toverberg. In het (nog) complexere Doctor Faustus vormt een libretto – een gesprek tussen de componist Adrian Leverkühn (gebaseerd op Mahler, Nietzsche en Schönberg) en de Duivel – letterlijk het keerpunt van het verhaal. Indirect nodigt Mann zijn lezers uit om vraagtekens te zetten bij de rol van de verteller.
Doctor Faustus draait om het verlangen naar kennis en macht, ten koste van de ziel – een klassiek Faustiaans thema. Het is een diep persoonlijk werk van Mann, die zelf lange tijd nodig had om zijn oorspronkelijke, trotse Duitse nationalisme te transformeren tot een scherpzinnig en uitgesproken cultureel en politiek criticus.
Ik moet denken aan een speech van John F. Kennedy over de Amerikaanse dichter Robert Frost:
“Robert Frost verbond poëzie met macht, omdat hij poëzie zag als het middel om de macht voor zichzelf te behoeden. […] Wanneer macht corrumpeert, zuivert poëzie. Want kunst legt de fundamentele menselijke waarheid bloot die als maatstaf voor ons oordeel moet dienen.”
De pijnlijke conclusie van Het Filosofisch Kwintet luidde:
“Misschien moeten autocraten dan maar min of meer succesvolle schrijvers worden.”
Een onthutsende gedachte, want het herinnert ons eraan dat macht zich in vele gedaanten aandient — vaak verpakt in woorden en verhalen.
Toch denk ik dat we uiteindelijk allemaal, vroeg of laat, worden geconfronteerd met onze eigen versie van Galadriel’s test, een klassiek moment waarin zij verleid wordt door de Ene Ring – de Ring van de Macht – maar ervoor kiest die te weerstaan.
Zoals Tolkien ons hier leert, is die test geen mythisch avontuur ver weg, maar een dagelijkse strijd: de verleiding om te bezwijken voor rancune, woede en verdeeldheid. En tegelijk een oproep, diep in onszelf, om die verleiding te weerstaan — om empathie en wijsheid te kiezen boven wraak en haat.
In die keuze schuilt misschien de ware kracht van de mens — veel krachtiger dan autocraten ooit zullen begrijpen.