Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Survival of the Fittest bij de kassa

Supermarkten zijn van die elléndige, maar onvermijdelijke plekken waar je eens in de zoveel tijd doorheen móét. Het zijn net visfuiken. Mijn hersenen gaan in de supermarkt dan ook meteen in flight-modus. Bij anderen lijkt het echter verdacht veel op fight.

Als ik me dan toch moet begeven in de hel die ‘supermarkt’ heet, probeer ik mijn bezoek hoe dan ook zo efficiënt mogelijk af te handelen, in een vooraf mentaal uitgestippelde, u-vormige route, gebaseerd op wat ik nodig heb. Dat gaat ongeveer zo:

Brood haal ik meteen na de ingang rechtsaf, beleg ligt daar weer links van. Dan rechtdoor voor groente en fruit, links voor thee en eieren, en weer rechtdoor voor toiletartikelen. En dan: sprinten naar de kassa in de hoop dat niemand met een overvolle kar me nét voor is.

Want dat is waar ik het meeste tegen opzie: de kassarij. Niet eens vanwege het wachten – hoewel ik regelmatig met mijn boodschappen van een paar euro achter iemand sta met een kar van honderdvijftig – maar vanwege het gedrag van mensen in die rij.

Zo ook gisteren.

Ik had mezelf moed ingesproken en ging, gewapend met mijn efficiënte route, op pad. Ik had zin in een vers volkoren stokbrood — die zijn zo smakelijk dat ik er mijn supermarktweerzin nog wel eens voor opzij wil zetten.

Helaas: uitverkocht. Alleen wit stokbrood, om onduidelijke redenen altijd populairder en om die reden ruimschoots op voorraad. Teleurstelling alom. De winkel zat bovendien vol met types die je het gevoel geven dat je hen in de weg loopt door er überhaupt te zijn

Ik ergerde me dan ook kapot. Toch wilde ik niet met lege handen naar huis. Als beloning – puur omdat ik me nu toch in deze hel bevond – koos ik een bescheiden kaasje en een pakje volkoren toastjes.

Hop, richting kassa. Daar bleek het rustig en leek het alsof iemand net af wilde gaan rekenen – perfect.

Totdat er ineens een ouder echtpaar met een volgeladen kar achter me opdoemde.

Geen probleem, zou je zeggen. Liever achter me dan ervoor. Maar de vrouw vóór mij bleek het type dat eerst ál haar boodschappen térgend langzaam in vijf verschillende tassen moest stoppen voordat ze eraan dacht om af te rekenen. Ondertussen begonnen de mensen achter me al hun spullen op de band te gooien, zich totaal niet bewust van het feit dat ik er ook nog stond.

Serieus, die anderhalve meter tijdens corona – zegenrijk!

Eindelijk: de vrouw voor me is klaar met inpakken, betaalt, en het is mijn beurt. Terwijl ik mijn luttele boodschappen wil afrekenen, duwt de oudere man achter me zijn inmiddels lege kar zowat tegen mijn rug om erlangs te kunnen, en nestelt zich alvast pontificaal aan het eind van de band. Alsof ik er niet ben.

Ik keek hem vernietigend aan. Hardop – zogenaamd tegen de caissière, maar onmiskenbaar voor hém: “Sommige mensen hebben écht geen fatsoen.” Beschaving wordt getest bij de kassa.

Ik verliet de supermarkt alsof ik net een veldslag had overleefd. Mission accomplished, al was het zonder het stokbrood waar ik zo naar verlangde.