Beste lezer

Over film, literatuur en alles wat mij bezighoudt


Oog in oog met het universum

Een paar jaar geleden reed ik op een vroege ochtend naar een camping in Eijsden, om te ontbijten met mensen die daar een weekje in een huisje verbleven. Terwijl de ontbijttafel werd klaargezet, zat ik met een kopje thee rustig een beetje naar buiten te staren. Opeens zag ik vanuit mijn ooghoek iets razendsnel op me afkomen. Een heftige klap galmde door de ruimte – KABOEF!

Een vogeltje was bijna in volle vaart tegen het glas gevlogen. Misschien was mijn schrikreactie – op het moment dat ik iets op me af zag stuiven – wel zijn redding. Dankzij een rempoging die enkel een magistrale piloot zou kunnen uitvoeren, wist het beestje de klap nét iets te temperen. In plaats van hard tegen het raam te slaan en zijn nek te breken, fladderde het als een wankele brokkenpiloot richting de dichtstbijzijnde boom – alsof het net een fles whisky achter de veren had.

Op een takje kwam het uiteindelijk tot stilstand, maar het kon nauwelijks blijven zitten. Even later dwarrelde het hulpeloos naar de grond. Ik aarzelde geen moment, liep op het diertje af, hurkte en keek het aan. Daarna pakte ik het voorzichtig op, plaatste het op mijn linkerwijsvinger en liep terug naar het huisje.

Op de tafel van het picknickbankje op de veranda legde ik een handdoekje neer. Ik probeerde het vogeltje wat meer ruimte te geven, maar het hield zich stevig vast aan mijn vinger. Wat ik tot dat moment niet wist, was dat vogeltjes ongelooflijk veel kracht in hun pootjes hebben. Het klampte zich vast alsof mijn vinger zijn reddingsboei was, en zo bleven we daar, samen, zeker een uur lang.

Als je ooit in dezelfde situatie belandt en het vogeltje water wilt geven, leg dan een klein druppeltje op je vinger en raak voorzichtig de snavel aan. Het glijdt vanzelf naar binnen, wat ook nog eens een prachtig gezicht is.

Het bleek een boomklevertje, een klein, karakteristiek vogeltje met fel oranje-blauwe veren en een zwarte streep vanaf de snavel tot halverwege de hals. Dit specifieke vogeltje, daar zo kwetsbaar gezeten op mijn vinger, had iets bijzonders. Een zekere waardigheid.

Gedurende dat uur praatte ik zachtjes tegen hem. Wanneer er een windvlaag opkwam, schermde ik hem wat af met mijn hand; als er zon doorbrak, liet ik die binnen. “Oh! Een zonnetje…” zei ik dan zacht.

Soms hoor je mensen zeggen dat wilde dieren geen bewustzijn hebben. Wat een onzin. In de diepzwarte kraaloogjes van dit vogeltje sprak een intens bewustzijn – het keek me écht aan. En ik zag daarin iets wat je soms alleen bij heel bijzondere mensen ziet: alsof je kijkt naar het wezen van het universum.

Dat vogeltje voelde alsof ik in mijn handen de fragiliteit van het hele leven hield. De oogjes weerspiegelden de intelligentie en waakzaamheid van alles wat leeft, en hoe dat alles met elkaar verbonden is in één grote, kosmische symfonie.

Het ultieme bewijs daarvan kwam aan het einde van ons bijzondere samenzijn. Halverwege had het beestje al een korte, heldere Tweet! aan mij en de wereld laten horen, alsof het wilde zeggen: “Ja, ik ben er nog!” Na een uur voelde ik zijn kleine pootjes bewegen. Het zakte iets achterover en liet toen, heel rustig, een keurig beschaafd poepje vallen – zonder mijn vinger te raken.

Daarna zette het zich af, stapte langzaam bij me vandaan, draaide zich toen plots om en keek me nog één keer diep aan, en prachtig helder, als de zuiverste noot uit de meest sublieme symfonie: Tweet! – en het verdween naar daar waar het behoorde te zijn. Wat overbleef was een resonantie van kosmische orde.