De 2025-productie van Tsjechovs The Seagull in de Barbican in Londen opent met een indringende karakterstudie van actrice Irina Arkadina, gespeeld door Cate Blanchett. Haar zoon Kostya (Kodi Smit-McPhee) introduceert haar met een beschouwende monoloog:
“Oh, who can understand her? Her psyche could be the subject of academic study. My mother is –
She’s brilliant. Without question. Fiercely intelligent. Driven. But she’s not cold – she’ll disappear into a novel, care deeply for fictional characters as if she knows them personally. Grieve for them when they die.”
Kostya’s moedercomplex is overduidelijk. Irina, op haar beurt, heeft zich zozeer verloren in fictie dat ze haar eigen zoon niet werkelijk kan zien. Zijn lot is bekend: het loopt tragisch af. Maar dankzij Blanchetts meesterlijke spel verschuift de focus. Niet Kostya, maar Irina lijkt het echte slachtoffer—gevangen in haar onvermogen om lief te hebben. Wanneer het schot klinkt, ziet het publiek haar op het allerlaatst zoals ze werkelijk is, zoals ze zichzelf pas op dat moment leert kennen. De zaallichten doven. Zowel Kostya als Irina zijn verloren, en het publiek rouwt om hen.
Zo maakt The Seagull een perfecte cirkel. Niet alleen de doodgeschoten meeuw is een voorbode van Kostya’s lot—de ware tragiek schuilt in zijn woorden over zijn moeder: haar diepste emoties reserveert ze voor fictionele personages. In de zaal, getroffen door deze scène, besefte ik opnieuw hoe diep fictie ons kan raken. Terwijl Blanchett’s Irina zich verloor in fictie, dacht ik terug aan een moment waarop ik besefte dat niet iedereen diezelfde verbondenheid met verhalen voelt.
Jaren geleden gaf ik iemand een Engelstalige editie van Jane Austen’s Pride and Prejudice. Enkele weken later kwam diegene terug: “Ik heb echt geprobeerd het te lezen, maar uit frustratie heb ik het halverwege tegen de muur gegooid. Nu ligt het ergens onder mijn bed te verstoffen.” “Waarom heb jij Pride and Prejudice tegen de muur gegooid?” vroeg ik. “Ik kan het verhaal niet volgen. De personages lopen door elkaar.”
Op dat moment besefte ik dat niet iedereen fictieve personages ‘hoort’ en ‘ziet’ zoals ik dat doe. Als ze niet tot leven komen, moet lezen een onaangename ervaring zijn. Ik heb gehuild om Petja’s dood in Tolstojs Oorlog en Vrede. De opbouw is weergaloos. Je hoort jezelf naar de bladzijden roepen: “Petja, stap niet op dat paard!” En op het moment suprême vóél je het schot nog voordat het geweer heeft gevuurd. Fictie, zeker, en toch blijft de dood van Petja onverteerbaar.
Tsjechov waarschuwt: verlies het contact met de realiteit niet. Maar als een verhaal zo levensecht voelt, is die grens soms nauwelijks zichtbaar. Misschien is dat waarom ik altijd tien boeken tegelijk lees—om te vermijden dat een verhaal echt eindigt. Want in een theater, een bioscoop of tussen de bladzijden van een boek wil ik maar één ding: verdwijnen in het verhaal, zelfs als het me verscheurt.