Nu ik met deze blog ben begonnen, besef ik steeds meer dat ik een groot deel van mijn leven heb besteed aan níét schrijven. Ik heb eindeloos veel gelezen, maar zelf zo min mogelijk op papier gezet.
Natuurlijk moest ik soms wel schrijven—denk aan werkstukken voor school. Ik heb ze nog. Eén, uit groep 7, ging over Zwitserland, waar ik als kind met mijn ouders op vakantie ging. Ik typte het op een ouderwetse typemachine, die ik nog lange tijd ben blijven gebruiken. De docent gaf me een 9 voor verzorging en inhoud, met als commentaar: ‘Een heel goed werkstuk, Yvette. Ik heb het met veel plezier gelezen.’
Een paar weken later moesten we onze werkstukken in een korte presentatie samenvatten. Maar ‘kort’ lag me niet echt, dus droeg ik het hele werkstuk voor. De docent onderbrak me zelfs met een pauze, maar wat me vooral is bijgebleven, is wat hij na afloop zei: “Van alle klassen die ik ooit heb gehad, is jouw klas de moeilijkste om stil te krijgen en écht te laten luisteren. Je hebt een techniek die ik niet beheers, maar mijn oprechte bewondering: het onmogelijke is gelukt—de hele klas was muisstil.”
Een jaar later, in groep 8, schreef ik een stuk over Stanley en Livingstone. Het onderwerp was complex—‘met twee hoofdpersonen!’ aldus de docent—, maar ik kreeg een 8,5, vooral voor de opbouw. Hij merkte op: ‘Je hebt een moeilijk onderwerp gekozen, maar het werkstuk is heel boeiend.’ Blijkbaar had ik weinig boodschap aan het te volgen studiewijzerblad, want de hoofdstukindeling had ik helemaal zelf bedacht. En in datzelfde jaar begon ik mezelf te ontdekken als raketdeskundige. In een werkstuk over de ruimtevaart was mijn uitleg over de werking van raketten zo helder dat mijn docent me een 8,5 gaf en schreef: ‘Ik vind dat je de werking van de raket heel duidelijk hebt beschreven!’
Een andere schrijfopdracht, uit 3 mavo, ging over het Duitse slagschip Bismarck—een ongewone keuze, maar een onderwerp dat me bijzonder fascineerde. Dit keer gebruikte ik een digitale typemachine en koos voor de vorm van een logboek. Ik reconstrueerde het verhaal van het gedoemde schip met precieze data en tijdstippen. Jaren later blijkt het nog steeds meeslepend te lezen, want het verhaal van de Bismarck is er vooral één van menselijke tragiek—aan zowel Duitse als Britse zijde. De docent schreef: “Een echt scheepsjournaal!”, maar omdat ik me niet aan enkele conventies had gehouden, kreeg ik een 7,5. Conventies waren voor mij altijd al iets waar ik minder mee had.
In mijn werkstuk beschreef ik ook de ondergang van de HMS Hood en hoe haar zusterschip, HMS Prince of Wales, door de brandende wrakstukken gedwongen werd om recht op de Bismarck af te varen:
“En terwijl ze dat doet, rijst achter het schip, onder een hoek van 45 graden, het volledige voorschip van de Hood uit zee op. De volgende seconde is het weer verdwenen.”
Dit beeld, een moment van immense tragiek, is iets wat me altijd is bijgebleven. Als ik destijds het verhaal van diplomaat, schrijver en politicus Sir Harold Nicolson had gekend, zou ik waarschijnlijk ook zijn visie op deze gebeurtenis mee hebben genomen. Nicolson, die in mei 1941 de ondergang van de Hood beschreef, noemde het niet alleen een verlies van een schip, maar een nationale tragedie, een klap voor het Britse moreel. Na de vernietiging van de Bismarck sprak hij over noodzakelijke vergelding, maar vooral over de menselijke tol aan beide zijden—en daarmee over de tragiek van oorlog.
Misschien is het omdat ik altijd zo gefascineerd ben geweest door de verhalen van anderen dat ik zelf nooit de behoefte voelde om mijn eigen verhaal te vertellen. Maar nu, terwijl ik terugkijk op die schoolwerkstukken en de manier waarop ik ze tot leven bracht, besef ik dat schrijven altijd al een manier was om het verleden niet alleen te begrijpen, maar ook te doorgronden. En misschien is dat precies wat me nu drijft: het verlangen om de menselijke verhalen achter de geschiedenis opnieuw te ontdekken, en mijn eigen verhaal ermee te verweven.